Terug naar school.

Ik begon deze week niet buitengewoon optimistisch, maar ik sluit hem met een goed humeur af. Toen het bericht kwam dat de scholen weer open gingen, vond ik dat uiteraard fijn. Een begin van een weg naar ‘normaal’. Tijdens de meivakantie, toen ik er wat langer over na kon denken, kwamen ook de twijfels. Wat als blijkt dat de veronderstelling dat kinderen geen grote verspreiders zijn, niet klopt? Wat als één van mijn collega’s toch echt ziek wordt? En zeker toen met het een klein beetje versoepelen van de maatregelen, plotseling een grote groep mensen dacht dat het allemaal voorbij was en het zich houden aan de regels minder werd, namen bij mij de twijfels toe. Zo begon ik dus de week. Met een onbestemd gevoel van ongerustheid. Terwijl ik toch niet de aard heb om mij snel zorgen te maken.

Maar we gaan weer naar school. Dat wil zeggen, klassen komen gehalveerd en om de dag naar school. Maandag na de meivakantie hadden wij een studiedag, dus de kinderen kwamen vanaf dinsdag. De eerste dag, de eerste groep, kijkt nog een beetje verdwaasd uit haar ogen. Tafels twee-aan-twee maar met een lege tafel naast ieder kind. Ook ik voel me enigszins vreemd. Alles lijkt normaal, maar toch niet helemaal. Het duurde een uurtje voordat ze loskomen. En verder willen ze gewoon aan het werk. Langzaamaan komen de verhalen over hoe het thuis ging en hoe ze het nu weer vinden. Ze hebben weinig zorgen, ze zijn blij dat ze weer naar school mogen. Een enkeling geeft aan z’n ouders wel even zat te zijn. Echt dramatisch lijkt het allemaal niet geweest te zijn. Pas om een uur of één voelen ze zich weer helemaal vrij genoeg om zich ook af en toe te misdragen. Dan kletsen ze gewoon nog even door als ik verder wil.

Op woensdag, als de tweede groep voor het eerst komt, hetzelfde beeld. Het duurt even, maar dan hebben ze hun plek weer gevonden. Ze kunnen weer lachen om mijn grapjes en ze halen vrolijk herinneringen op aan de thuisblijfperiode. Ook hier is het overwegende gevoel: lekker aan het werk gaan. Wel lijkt het alsof beide groepen heel veel vergeten zijn. De spellingtoets maken ze duidelijk slechter dan ik gewend ben. Als ik het over sommen splitsen heb, kijken ze me aan alsof ik Chinees spreek.

Zich aan de Corona-regels houden vinden ze geen probleem. Ze doen het eigenlijk uit zichzelf. Alleen 1,5 meter afstand houden tot mij lukt regelmatig niet. Het maakt mij niet uit. Ik maak me niet buitengewoon veel zorgen als het om de kinderen gaat. En eerlijk gezegd, ik had ook niet verwacht dat afstand houden zou lukken. Met collega’s heb ik wel het gevoel dat we echt een beetje afstand moeten houden. Juist omdat er steeds meer onderlinge contacten zijn. Maar al doet iedereen z’n best, ook dat is soms lastig.

Op donderdag sta ik voor groep 4. Voor deze groep heb ik drie keer gestaan en dat is al heel wat weken geleden. Dat maakt de kinderen niet uit. Ze kennen me, en dat is genoeg. Voor hen is dit de tweede dag op school en ze gedragen zich net zoals ze dat altijd al deden: lief, braaf, tikje uitdagend, etc. Alsof er niets gebeurd is. We werken, we kletsen en we maken grapjes. Aan het eind van de dag krijg ik maar liefst drie tekeningen van kinderen die blij zijn dat ze weer op school zijn en mij te zien.

En vandaag, vandaag was een topdag. Mijn eigen groep doet weer waar ze goed in is. Al zijn ze dan met de helft. Als ik tijdens rekenen zeg: “Nou ik hoef geen rekendictee te doen, want jullie snappen het”, krijg ik protest. Ze willen wél rekendictee. “En wel tot 100.000 hè juf”. Één leerling confronteert mij nog even met “Wat hebt u met 300?” Ik kijk naar de getallen die ik opgeschreven heb, en inderdaad. Tijdens spelling, waar ze me woensdag een hartverzakking bezorgden door niks meer lijken te weten, gaan ze compleet los op een nieuwe spellingcategorie. Ze juichen als het dictee uit ‘maar’ zeven woorden bestaat in plaats van vijf en een zin. Bijna allemaal hebben ze alle woorden goed. Ze lachen als ik een raar zinnetje maak met woorden met een y. Of als mijn collega aan de andere kant van de etage in zingen uitbarst en ik daar een opmerking over maak. Ze vragen heel voorzichtig of het raam dicht mag, omdat de kleuters zo veel herrie maken. En natuurlijk is er soms ook de confrontatie met de werkelijkheid. Als we ’s middags nog even naar buiten gaan, komt een meisje op me afgerend, lachend en haar armen gespreid. Duidelijk met de bedoeling om mij te omhelzen. Maar dat kan dus niet. De teleurstelling op haar gezicht komt even aan. Dan vraagt ze: “Juf, kunt u een handstand?” Wat ik natuurlijk kan en het daarmee een klein beetje goedmaak. We vinden de afstandsknuffel uit. Maar bij het uitgaan zegt ze dat ze toch liever een echte heeft.

Na de eerste dag vonden de kinderen het ‘fijn maar ook raar’om weer op school te zijn. Vandaag vonden het ze unaniem ‘leuk!’ We hebben hard gewerkt, we hebben ontspannen gewerkt, we hebben lekker gebabbeld en we hebben gelachen.

Mijn ongerustheid over de opgelopen achterstand is een beetje verdwenen. Dat komt wel weer goed. Maar de schijn van normaal neemt niet helemaal mijn algemene ongerustheid weg. Ik wil geen ‘tweede golf’. Ik wil niet dat we nogmaals dicht moeten en ik wil al helemaal niet dat, doordat ik weer meer contact heb met mensen, ik mensen in mijn omgeving in gevaar breng. Ik wil weer ‘normaal’, net als iedereen. Maar als nog even gaat zoals nu en niet erger wordt, neem ik daar genoegen mee.

2 gedachten over “Terug naar school.

Geef een reactie op Kanteldenker Reactie annuleren