Stress

De kinderen zijn onrustig, druk, opeens erg onhandig en doof. Ze ruiken het einde van het schooljaar terwijl dat nog lang niet in zicht is. Ze draaien, laten potloden tien keer vallen, moeten aangespoord worden en elkaar vooral heel veel vertellen. Ik word er kriegel van, maar doe mijn best dat zo min mogelijk te laten merken.

Ze moeten citotoetsen doen en daar bovenop krijgen ze ook nog hun voorlopige advies. Daar zijn ze -naar eigen zeggen- helemáál niet zenuwachtig over. Nee, ze kijken uit naar het schoolreisje. Dat zal het zijn. Maar van een moeder krijg ik te horen dat haar dochter elke ochtend huilend naar school gaat en er van overtuigd is dat ze het allemaal niet kan. En er zijn meer signalen.

Zelf probeer ik het niet te groot te maken. Ik probeer duidelijk te maken dat de cito’s maar een momentopname zijn, dat het advies echt niet daar alleen van afhangt, dat ook het advies ook een momentopname is en dat dat voor een groot deel vast wel overeenkomt met wat ze zelf denken.

Los daarvan had ik gezegd dat als ze wat lekkerder wilden zitten, ze best een kussentje mochten meenemen. Dat leverde wat eigenaardige blikken op. Kennelijk was dat een vreemd voorstel. Tot een meisje vroeg of ze in plaats van een kussentje, haar knuffel mee mocht nemen. Ik stond een ogenblik met mijn mond vol tanden, maar zei natuurlijk dat het mocht. Alleen tijdens de toetsen dan. En zo zaten er de volgende dag, naast mijn gebruikelijke leerlingen ook twee beren, een olifant, een hamster en een ondefinieerbaar wezen in mijn klas.

Ik begin de dag altijd met voorlezen en dus kwam de voorzichtige vraag of ze óók bij het voorlezen op tafel mochten. Ja, dat mocht natuurlijk ook, maar dan wel op tafel. Haarfijn voelden ze het privilege aan, dus op tafel stonden ze en bleven ze staan. Tijdens de toets zat een enkeling met haar beer stevig tegen zich aangeklemd, dodelijk geconcentreerd haar sommetjes te maken. Ik heb het maar zo gelaten.

De volgende dag was het aantal knuffels opgelopen tot dertien. Ook een aantal jongens hadden de stap toch maar genomen. Ik zag het aan. Mijn brave klasje, soms praatjes voor tien, maar als puntje bij paaltje komt nog veel te klein voor de grote boze buitenwereld. Er zijn meer dingen waar ik dat aan merk. Zo wordt op elke snipper seksuele voorlichting met afkeer gereageerd. (Hoewel, sinds een week of twee is er wel iets aan het kantelen). En toen een wijkagent een praatje kwam houden over gedrag van jongeren op straat, en wat de consequenties konden zijn, zat het grootste deel te kijken of ze water zag branden. Buiten spelen is voor hen gewoon voetballen, klimmen, verstoppertje spelen of zoiets. Ze zijn jong, letterlijk, maar ook voor hun leeftijd.

Lily had even de aanwijzing dat de knuffel in de tas moest gemist. Tijdens de volgende les zat ze met haar olifantje op haar hoofd. “Ollie komt nu even bij de juf zitten”, zei ik. Alsof het de gewoonste zaak van de wereld was. Ik hoorde het mezelf zeggen en dacht: “Misschien zou ik het toch niet zo slecht doen bij de kleuters.”

Taferelen op vrijdag

We waren aan het rekenen. Cijferend delen en dan met kommagetallen. Een groot deel van de klas had het al door en zat ijverig te werken, enkelen waren nog niet zeker genoeg en deden met mij mee. Het is een bepaald soort genoegen om cijfers en stappen netjes onder elkaar te zetten, bij elke stap stil te staan, vragen te stellen en ondertussen te merken dat ook de laatsten door krijgen hoe het werkt. Een goed begin van de dag.

Na een korte adempauze door met een taaltoets. Ook nu loopt alles heerlijk. Vol verwachting tot het moment dat we gingen nakijken werkten kinderen rustig aan iets anders. En bij het nakijken de onderdrukte kreten als ze iets goed hadden, de verbazing dat er zo véél goed was, de opgewonden vragen hoe goed ze het gedaan hadden als ze 28 van de 30 vragen goed hadden.

Het is vrijdag en ze hebben niet alleen het weekend in het vooruitzicht, maar ook de tosti’s straks bij de lunch, de gymles en het laatste uurtje werken aan hun muurkrant. Ze hebben er vandaag zin in en zetten hun beste beentje voor.

Tijdens de leesles na het buitenspelen houden ze de aandacht er weer goed bij. We lezen twee teksten over onderzoek naar buitenaards leven. Na wat gefilosofeer over of dat mogelijk is, wordt er doodstil gelezen. Door iedereen, behalve door Lily, die zit met haar haar te frunniken. Ze blijft frunniken, ook als ik haar vraag daar mee op te houden. Daarna besteed ik er geen aandacht meer aan, want zij die wel lezen, worstelen met de tekst en vragen hulp.

Het is alweer een heel tijdje later, en ik ben inmiddels opgestart met het maken van tosti’s, als ik ontdek dat Lily verdwenen is. En met haar twee meisjes. De rest van de klas, rond het werk af en maakt zich klaar voor de lunch. Ik vraag iemand eens voorzichtig te gaan kijken in de wc. Ze blijkt daar inderdaad te zijn en er schijnt zich een ramp te hebben afgespeeld. Ik vraag een collega even te gaan kijken. De twee vriendinnen komen heel kort daarna de klas ingeslopen. Lily zit bij mijn collega, huilend met haar vader aan de telefoon. Door het gefrunnik is er een elastiekje zo verstrikt geraakt in haar haar, dat ze geen andere oplossing zag dan de boel er maar uit te knippen. En nu voorzag ze gedonder thuis en bovendien was het geen gezicht. Althans dat vond ze zelf. Vaag herinner ik me dat ze vrij wanhopig gezegd had dat ze de boel niet meer uit de knoop kreeg. En ik -niet bepaald empathisch als het gaat om het belang van lang haar- had iets gemompeld dat ze even geduld moest hebben, omdat ik met iets anders bezig was.

Vlak voor we naar gym gingen, kwam ze weer terug. Een betraand gezicht en een strenge blik van mij weerhielden haar klasgenoten gelukkig van het maken van opmerkingen. Het was zelfs zo dat het merendeel haar medelijdende blikken toewierp.

Eenmaal bij gym werd het ‘lang haar in een staart’ een nieuw probleem. Wat dat zag er echt niet uit. Ik kon nog steeds niet veel ontdekken, maar ik wist haar toch de gymzaal in te praten. En ergens is ze gewoon mee gaan doen. Met haar in een staart. Toen ik de klas weer op kwam halen, rende ze vrolijk, ballen gooiend rond.

Het sluitstuk van de dag is het afmaken van hun muurkrant. Waar enthousiast aan gewerkt wordt en wat mooie werkstukken oplevert. Soms een bedrukt gezicht als toch nog een spelfout ontdekt wordt in een netjes opgeplakte tekst. Maar als ik zeg dat potlood ook uitgegumd kan worden, is het leed alweer geleden. Na een tijdje zijn enkelen klaar. Twee meisjes zitten rustig, midden in de klas te dammen. Denylio ruimt zijn laatje op. Hij is van het chaotische type en maakt eerst een nog grotere bende door het laatje gewoon om te keren op z’n tafel. Nathan biedt zijn hulp aan. Ik hoor hem uitleggen dat de tekstboeken in het rechter- en de rest in het linker laatje moeten. En na enige tijd is de klus geklaard en kan ook Denylio bogen op meer dan keurige laatjes. Lily en Sara overleggen over hun werkproces. Normaal gesproken leidt dat tot ruzie, maar nu gaat dit in een ongewone harmonie. De rest slooft zich uit om op tijd klaar te zijn.

Ik zit op mijn stoel, bemoei me nergens mee. Ik kijk en geniet.

Als het moment van opruimen is gekomen, gaat het geluid omhoog, wriemelt een hele klas zich door elkaar, lijkt het alsof het op tijd klaar zijn niet gaat lukken. Maar langzamerhand is de een na de ander klaar en wacht geduldig tot de rest dat ook is. Om exact 14:14u valt er een stilte in de klas en braaf wachten ze op mijn slotwoord. Een minuut is kort, maar lang genoeg om nog even wat complimenten te geven en terug te blikken op de week. Ze knikken tevreden.

Het is weekend.

Sneeuw

Ik wilde net met een dictee beginnen, toen de halve klas zich naar het raam bewoog. Mooie, dikke sneeuwvlokken zoals je maar zelden ziet, dwarrelden naar beneden. Met verwondering stonden ze er naar te kijken. Ik liet het maar even zo, een paar minuten. “We gaan toch wel gewoon spelen?” vroegen ze. Toen ik ze gerust gesteld had dat we dat natuurlijk gingen doen, konden we verder.

Buiten had zich net een mooie laag gevormd. Er werd gegleden, er werd met ijsballen gegooid. Een leerling van een andere groep stond met zijn mond open vlokken op te vangen, een meester deed hem na. Er werd gegleden, een paar meisjes uit mijn groep stapten achter mij aan in de voetstappen die ik achterliet. We maakten er een spelletje van. Er werd gegleden en met sneeuw gegooid. Een paar jongens deden dapper een poging om te voetballen. Er kwamen steeds meer klassen naar buiten die even van het moment wilden genieten. “Hoe vaak maken ze dat nou mee?” zei een collega.

Na een minuut of twintig kwam de eerste leerling vragen of we weer naar binnen gingen, want het was zo koud. Een groep 4 leerling liep huilend rond omdat hij een ijsbal in z’n gezicht had gekregen. Het schoolplein was veranderd in een waterplas. Tijd om weer naar binnen te gaan.

Met rode neuzen en natte jassen kwamen ze met me mee. Op de trap vormde zich plasjes. In de klas werden schoenen, sokken, dassen en handschoenen op en onder de verwarming neergelegd. Met rode wangen zaten ze weer voor me. “Dat was effe leuk hé?” zei ik. Er werd geknikt en gelachen en nog even opgeschept over wat ze gedaan hadden.

Ze pakten hun spullen voor de volgende les voor hun neus en we gingen door. Maar dit korte moment van geluk hadden we toch maar weer mooi binnen.

Opgeruimd

Janna is de kleinste van de klas. Toch is ze een opvallende verschijning. Niet dominant, maar wel aanwezig. Ze meldt zich als ze iets wil zeggen, maar vaak is dat pas als het echt relevant is. Dan heeft ze een opmerking die iets toevoegt, een vraag die niemand anders stelt of een kritische noot op reacties van anderen of van mij.

Ze is traag in alles wat ze doet. Je zou het ook bedachtzaam kunnen noemen, het is maar hoe je er naar kijkt. Haar werk krijgt ze zelden binnen de gestelde tijd af, maar ze doet dat wel met overgave. Bij elke som, vraag of opdracht ontstaat er een denkrimpel boven haar ogen en na enige overweging schrijft ze haar antwoord op. Aan het einde van de dag, is ze de laatste die de klas verlaat. Zonder zich op te laten jagen, ruimt ze haar tafel op, doet ze spullen in haar tas en neuriet daar zachtjes bij. Haar vriendinnetje staat ongeduldig van het ene been op het ander te huppen en vraagt: “Wat ben je nou eigenlijk aan het doen?” “Ow, weet ik eigenlijk niet” , is het onverschillige antwoord.

Ook heeft ze een opgeruimd karakter. Bij tegenslag -zo kwam ze niet in het leerlingpanel en werd ze niet de voorlezer van de klas- komt er even een donkere blik in haar ogen, maar al snel zet ze zich er overheen. Nadat ze geen voorlezer van de klas werd zei ze zelfs: “Ik ben eigenlijk wel opgelucht.”

Een opgeruimde tafel heeft ze echter niet. Na elke les blijf alles liggen, er ontstaan stapels en er vallen dingen op de grond. Ik kijk het aan en kijk dan naar mijn eigen chaotische bureau. Ik nam haar mee en wees op mij tafel. “Waar doet je dat aan denken?” vroeg ik. Ze lacht even. Ik wijs op mijn citaat van Einstein. Daar staat: Genieën zijn zelden geordend en geordende mensen zijn zelden een genie. Het staat er in het Duits, dus niemand in de klas begrijpt het. Maar zij wel. Ze kijkt me met een ronduit schalkse blik aan.

Op vrijdagmiddag, nadat de klas twee kleine teleurstellingen te verwerken heeft gekregen -geen gym én geen buitenspelen omdat het schoolplein in een ijsbaan is veranderd- doe ik een crea-opdracht. Nu heb ik een afkeer van crea, zowel van het woord als van de inhoudsloosheid, maar nu was het er wel het moment voor. Na mijn uitleg, gaat iedereen met overgave aan het werk. Zacht muziekje erbij, prima sfeer. Er ontstaan mooie momenten. Onvermoede combinaties werken opeens samen, drie jongens raken in gesprek over waar ze bang voor zijn, rommel wordt zonder mijn inbreng opgeruimd, iedereen is opgewekt en het woord gezellig valt. Ik kijk er naar en ben uiterst tevreden. Hier kan geen sociale vaardigheidstraining tegenop.

Janna is vrij snel klaar en bedenkt wat ze nu eens kan gaan doen. Even later zie ik dat ze de minst populaire jongen van de klas aan het helpen is. De jongen die doet en roept voordat hij denkt, die overal tegenaan botst en waar een groot deel van de klas het liefst met een boog omheen loopt. Ze zijn een beetje bang voor hem, met z’n ruwe, ongecontroleerde gedrag, al zegt hij duizend keer sorry en bedoelt hij het allemaal niet zo. Hij is zeker twee koppen groter dan Janna, maar nu vertelt ze hem kalmpjes hoe hij het aan moet pakken, doet het voor en moedigt hem aan. Hij zit er mak als een lammetje naar te luisteren. “Dank je wel” , mompelt hij zo’n beetje.

“Ow, graag gedaan hoor” , zegt ze monter. En huppelt naar mij toe. “Juf, heeft u nog een klusje voor mij?”

Groots is ze.

We willen nog wat vertellen

Voor mijn deur staan de vader en moeder van mijn vrolijke kleine punkjongetje Danny. Hijzelf is er natuurlijk ook bij. ´Moet ik ook mee?’, vraagt hij. ‘Over wie gaat het gesprek eigenlijk?’, zeg ik vriendelijk. Hij lacht wat onzeker en stapt dan naar binnen.

Ik begin het gesprek met de agenda. Als ik zeg dat ik wil bespreken hoe Danny zich voelt op school, wordt er instemmend geknikt. Of ze zelf nog iets willen toevoegen. Ze kijken elkaar aan, maar zeggen niks. Ik begin met hoe Danny in de klas is: prima werkhouding, doorzettingsvermogen ook als het moeilijk is, altijd vrolijk, altijd behulpzaam, etc. Trotse gezichten van ouders en ook Danny lacht. Op de een of andere manier verwachten kinderen altijd het ergste van gesprekken. ‘En kletsen kan je ook’, zeg ik. Zijn ouders beginnen te lachen, dat herkennen ze inderdaad ook. Zijn resultaten vallen ze wat tegen, maar zijn wel in lijn met andere jaren.

Dan begin ik er over dat uit de vragenlijst die Danny ingevuld heeft, blijkt dat hij zich toch niet altijd veilig voelt. En dat ik dat niet aan hem zie. Dus ik vraag hem hoe dat komt. Ik heb hem dat al eerder gevraagd, maar kreeg niet echt een antwoord. Danny kijkt na die vraag naar zijn moeder. Die moedigt hem aan om zelf antwoord te geven. Hij aarzelt, kijkt om zich heen en zegt ten slotte: ‘Ik weet niet…’ Gelukkig blijkt hij er thuis wel over te praten en na wat aandringen vertelt hij dat in de rij na het buitenspelen, sommige kinderen opmerkingen maken over zijn schoenen of zijn tanden.

We praten er even over, wat ik kan doen, wat hij kan doen, etc. Ik vraag hem wie er allemaal zijn vrienden zijn in de klas. Hij kan met gemak acht namen noemen. Hij voelt zich eigenlijk meestal helemaal prima, met uitzondering van die enkele keer.

Zo zie ik hem ook in de klas. Hij gaat met veel jongens en meisjes om, is over het algemeen vrolijk, maakt grapjes, kiest met wie hij wil spelen en lijkt zich nergens druk over te maken. Zijn haar staat altijd stoer overeind en in de Kinderboekenweek verfde hij het groen. Terwijl hij vertelt, zie ik zo’n nog klein jongetje dat af en toe gemangeld wordt door jongens die dan wel niet veel ouder zijn, maar zich wel zo gedragen.

En dan komt de uitsmijter van de ouders, ze wilden nog iets kwijt. ‘We gaan die lieve jongen bij je weghalen’. Even, heel even ben ik verbijsterd. Zo rampzalig en onoplosbaar was het toch niet?

Het blijkt dat ze gaan verhuizen. Hè wat? Verhuizen dus, en ze kijken er allemaal heel blij bij. Naar een groter huis, een kleine stad en vooral ver van Almere. En natuurlijk ben ik blij voor ze. Maar diep in mijn hart voel ik iets anders. Deze jongen, waar ik elke morgen blij van word, waar ik grapjes mee uithaal, die grapjes met mij uithaalt, die soms een boefje is maar altijd accepteert dat ik hem even bij z’n grote vriend weghaal, die zo dankbaar kan kijken als ik hem help met z’n werk. Mijn lieve, vrolijke, kleine punkjongetje gaat weg.

Hij had het nog aan niemand verteld, omdat papa en mama het graag éérst aan de juf wilden vertellen. De volgende ochtend vraag ik of hij het nu al aan Jaden heeft verteld. ‘Dat doe ik tijdens buitenspelen’, zegt hij met een ernstig gezicht. En inderdaad, even later op het schoolplein zie ik ze als twee serieuze mannen tegenover elkaar staan. De kleine Danny en de kop grotere Jaden die evengoed ook nog klein is. Ik zie het hoofd van Jaden voorover knikken, ik zie hem omdraaien en weglopen.

Bij het naar binnenlopen vraag ik Jaden of hij verdrietig is. Hij knikt en zegt gelaten: ‘Ja.’

‘Ik ook’ , zeg ik.

Politiek

Je krijgt de klas die je verdient, denk ik wel eens. En nu zit ik dus opgescheept met een klas met politieke activisten in de dop. Om te beginnen willen ze tijdens het kijken naar het Jeugdjournaal liever de ontwikkelingen aan het Oekraïense front volgen dan schattige verhalen over dieren. Met serieuze gezichten turen ze dan naar het beeld. Commentaar wordt er niet geleverd en erg benauwd worden ze er -bij enige ongeruste navraag door mij- ook niet van, maar weten willen ze het wel. Tijdens een topografie-les over Europa wees ik Rusland aan. Wel een erg groot land vonden ze. “En dat is dan alleen nog maar het Europese deel”, zei ik. En wees vervolgens de rest ook aan. Suzy kneep haar ogen samen en merkte op: “Zo’n groot land en dan willen ze nog dat kleine stukje Oekraïne er ook bij hebben.” Op1 kan wel inpakken met deze toch vrij accurate duiding.

We deden De Derde Kamer. Een lespakket over de de Nederlandse politiek. Na wat theorie over Prinsjesdag en wie nou eigenlijk de baas is in Nederland, volgde er debat. Met de stellingen die bij het lespakket hoorden (‘Schooldagen duren voortaan tot 18:00u; kinderen gaan dan nog maar vier dagen naar school’) kostte het ze enorm veel moeite om argumenten vóór te bedenken. Alles werd unaniem weggestemd. Interessant werd het pas, toen ze zélf stellingen mochten bedenken. Als het aan tienjarigen ligt, gaat de prijs van voedsel, gas en elektriciteit naar beneden, wordt roken verboden, krijgen dieren het beter dan zijzelf en komen er zware straffen op discriminatie.

Ook het ‘wie kan er zoveel mogelijk ministers noemen’ is inmiddels een sport, is mijn klas er van overtuigd dat zij de ingeloot worden voor een gratis reis naar de Eerste Kamer en vissen ze voortdurend naar mijn mening. Ik ondertussen probeer het niveau van hun mondelinge taalvaardigheid wat op te krikken. Want ondanks alle idealen, luide sprekers die met verve hun argumenten voor het voetlicht brengen zijn mijn leerlingen nog niet echt. Schuchter gooien ze één argument de lucht in en hopen duidelijk zichtbaar dat er geen weerwoord komt. Pas na een paar keer oefenen slagen twee jongens erin toch nog een behoorlijke tweestrijd te laten zien. We hebben nog wat lessen te gaan en plannen voor Nederland hebben ze wel. Dus het komt vast goed.

Een jongen vraagt mij of ik links of rechts ben. Ik zeg dat ik niet aan politiek doe in de klas. Maar zo makkelijk kom ik er niet vanaf. Ik moet uitleggen waarom. En met een scheef gezicht accepteert hij mijn uitleg dan maar. “U bent vast rechts”, zegt hij.

Geen idee waar ik dat nou weer aan verdiend heb.

Verliefd

Ik kan me niet herinneren dat ik zo snel een klik had met een klas. Misschien was dat ooit wel zo en is ben ik het gewoon vergeten, misschien ben ik gewoon wel beter geworden in het herkennen. In elk geval dacht ik na de eerste maandag van de eerste week: “Ja!” Op de vrijdag had ik zelfs een licht euforisch gevoel. De week overdenkend voelde het als een verliefdheid. Ik weet niet of dat kan, maar jeetje, het schattigheidgehalte van mijn nieuwe groep 7 overtreft wel alles.

Zo hebben we daar Nina. Nina vindt school niet per se erg leuk, maar is wel bereid om haar best te doen. Na elke enthousiaste (lees luidruchtige) voor-haar-beurt iets roepen, klinkt een oprecht ‘sorry’. Maar bij elke opdracht gaat ze met kromgebogen rug over haar werk haar best doen. Nu, een week later is het spontane roepen uitgeblust en steekt ze braaf haar vinger op. Dat doet ze dan wel weer door haar hele lichaam in de strijd te gooien opdat ik het echt niet zal missen. ‘Ik heb veel aandacht nodig’ , schreef ze in de brief die ik liet schrijven. Ik had al zo’n vermoeden.

Dan Danny. Die met zijn kapsel niet onderdoet voor een ruige punker uit mijn tienerjaren, maar voor de rest houdt de vergelijking daar wel op. Bij het binnenkomen knuffelt hij zijn broertje nog even én zijn moeder en kijkt mij met grote verwachtingsvolle ogen aan. “Gaaf kapsel” , zeg ik de eerste ochtend en daarmee is het ijs gebroken. Als hij bij het nakijken niet kan bedenken hoe hij zitten moet, stel ik voor dat hij het staand doet. “Mag dat?”, zegt hij verbaasd, alsof ik voorstel dat hij een enorm privilege krijgt.

Dan zijn er ook nog twee neven in de klas. Beiden zijn duidelijk langer dan de rest en zitten op dezelfde manier wat onhandig in hun net iets te kleine stoel. Verder kijken ze identiek vrolijk uit hun ogen. Met diezelfde ogen zoeken ze ook voortdurend contact met elkaar. Als ik iets vraag zeggen ze op alweer dezelfde manier: “Huh”. En natuurlijk: Ik gooi hun namen steeds door elkaar. Wat ze ook alweer vrolijk lachend incasseren.

Ik zou ze alle vierentwintig kunnen beschrijven -en dat ga ik ook nog zeker doen in de loop van het jaar- en kunnen vertellen dat de een nog schattiger is dan de ander, zelfs de twee potentiële ordeverstoorders. Maar als geheel zijn ze ook boeiend. Ze reageren enorm positief op al mijn oefeningen ‘hoe ik het hebben wil’, gaan er echt voor zitten. Van het stiltesignaal tot mijn blik, ik krijg voortdurend een positieve houding. Alsof ze willen zeggen ‘dit is fijn zo’. En dat is het natuurlijk ook.

Natuurlijk vlak ik ook mijn eigen invloed hierop niet uit. Nog nooit bereidde ik mijn lessen zo goed voor, nog nooit hield ik mij zo goed aan de afwisseling van bewegen, zitten, inspanning, ontspanning. En ik heb mezelf -lijkt het- nu ook eindelijk op de basisschool verlost van het leidende tempo van de methodes en de werkboeken. Als iets langer duurt, dan liever echt goed dan afraffelen. En eindelijk, eindelijk ben ik ook hier geland in mijn vriendelijke maar zeer duidelijke zelf. En zij geven mij die mogelijkheid.

Op vrijdag liet ik ze een brief schrijven. Over zichzelf, over wat ze van mij nodig hebben én of ze twee goede dingen van mij wilde opschrijven en één tip wilde geven. Na de helft gelezen te hebben zie ik vaak ‘u legt heel goed uit’ en ‘u bent niet streng’ terugkomen.

Vandaag kwam ik daarop terug nadat ik hun het vuur aan de schenen had gelegd met het lezen van een tekst. Ik zei: “Jullie mogen dan denken dat ik niet streng ben, ik ben wel veeleisend.” Ze knikken.

Evengoed, toen ik ze vroeg of ze liever bij mij in de klas zaten dan op een Soemerische schrijversschool, kozen ze toch voor mij. Maar dat is natuurlijk een inkoppertje want daar werd gemept bij het leven en moesten de kinderen van zonsopgang tot zonsondergang naar school.

Wat mij betreft mag deze roze wolk een schooljaar duren.

Afscheid

De laatste weken in groep 8 zijn zwaar. Vooral voor de leerlingen dan. Ze hebben hun advies binnen, de eindtoets gemaakt en ze weten dat ze zijn aangenomen op hun nieuwe school. Ze leven in de toekomst en hun heden is gericht het op het nog zo aangenaam mogelijk te maken van het leven met hun klasgenoten. Ik doe gewoon mijn ding, en dat is lesgeven. Voor het overgrote deel het gewone programma -waar zij al allang geen zin meer in hebben, maar het toch tot de voorlaatste week volhouden om met gezonde tegenzin aan mee te doen- en soms met een les die nieuw voor ze is.

Zo vroeg ik ze wat voor les zelf zou zouden willen krijgen. Kookles, was het unanieme oordeel. En eveneens unaniem: het moest pizza maken zijn. Dus greep ik de juffen- en meesterdag (toch al een dag waarvan het nut en de noodzaak mij totaal ontgaan) aan om pizza te bakken. Ik deed het eerst allemaal voor, ondertussen iets vertellend over de geschiedenis van de pizza. Mijn leerling met een Italiaanse achtergrond knikte bij elk onderdeel van de instructie ter goedkeuring. Daarna gingen ze braaf afwegen, water toevoegen, etc. Ook de toevoeging van de olijfolie vergaten ze niet. Slechts één leerling mikte een willekeurige hoeveelheid water bij het deeg en kwam klagen dat het er bij hem heel anders uitzag dan bij de rest. Het werden uiteindelijk prachtige pizza’s. Dat ze niet allemaal helemaal gaar waren, deerde niemand.

Ook voegde ik wat ‘proeven aan het VO’-lessen toe. Daar gingen ze dan weer wat rechterop van zitten. Aardrijkskunde vonden ze verdacht veel lijken op wereldoriëntatie. En gelijk hadden ze natuurlijk. Aan de hand van een onderwerp in een leesles legde ik uit hoe erfelijkheid werkte. Vooral de toevoeging dat dit normaal gesproken stof voor klas 3 van het VO was, zorgde voor aandacht. Voor natuurkunde liepen ze aanvankelijk niet zo warm. Maar toen ik ze uitdaagde om een bezem met één hand op te tillen aan het uiteinde van de stok, werden ze enthousiast.

En zo werkten we zo goed en zo kwaad als het ging de laatste weken af. Ondertussen natuurlijk de afscheidsavond voorbereidend. We maakten een film, oefenden een lied en schreven iets moois voor elkaar. Vooral het lied kostte mij hoofdbrekens. Twee weken lang oefenden we elke dag. Vaak ging het te snel, een paar jongens hadden er een sport van gemaakt zo hard mogelijk te schreeuwen en anderen maakten meer dan duidelijk dat ze zingen maar niks vonden. En ik maar enthousiast blijven roepen dat het steeds beter ging. En dat ging het uiteindelijk ook.

En toen was daar dan echt de avond dat we voor het laatst bij elkaar waren. Mijn twee collega’s van de andere groepen 8 waren de avonden daarvoor aan de beurt geweest en omdat we allemaal bij elkaars avonden waren, was ik inmiddels tamelijk brak. Ondanks dat ik er vertrouwen in had (het lied had op de laatste dag toch behoorlijk geklonken), had ik een vrij grote knoop in mijn maag. De avond zelf is als in een roes voorbijgegaan. Ik vergat de helft van mijn tekst, vergat steeds wat er moest volgen en had het idee een beetje te staan stamelen. Voor een willekeurig debat in de gemeenteraad draai ik mijn hand niet om, maar voor mijn eerste groep 8 afscheid stond ik voor mijn gevoel enorm te stuntelen. En bij mijn speech werd ik bij de laatste zin zo emotioneel dat ik een paar seconden niet verder kon. Maar het ging allemaal goed. Meer dan goed zelfs.

Na het hele gebeuren werd ik overweldigd door de lof die ik over me heen kreeg. Een moeder die me huilend om de hals vloog om wat ik voor haar zoon betekend had, een vader die verkondigde zo blij te zijn met de stabiliteit van het afgelopen jaar, leerlingen die keer op keer nog effe langs kwamen en met me op de foto wilden, een leerling die mijn telefoonnummer wilde en een ander die op een kaartje schreef dat hij door mij plezier in lezen had gekregen. Ik heb dit in mijn hele carrière nog niet meegemaakt. Het is bijna niet te beschrijven hoe ongelooflijk mooi en warm en fijn dit was. De impact die je kennelijk hebt zo direct terug te krijgen.

Deze klas was voor mij bijzonder. Bijzonder omdat ze dat van zichzelf al waren, maar ook omdat ik met deze klas letterlijk en figuurlijk een basisschoolleerkracht ben geworden. En nu zijn ze weg.

De volgende dag stond een van de leerlingen om half tien voor mijn neus en viel me in de armen alsof ze me tien jaar niet gezien had. Anderen hingen urenlang op het schoolplein rond, verlangend kijkend naar de deur.

Want ook zij realiseren zich opeens dat het echt voorbij is.

Anna

“Je moeder staat op het plein”, zegt Robbe. Anna reageert half binnensmonds, maar toch luid genoeg zodat ik het kan horen: “Ik wil niet opgehaald worden.” Ik knijp mijn ogen halfdicht en moet mijn reactie onderdrukken, maar ik denk, goed zo, eindelijk verzet. Ik overweeg of ik mee naar buiten zal lopen en met haar moeder een gesprek zal beginnen over loslaten. Ik doe het niet en weet eigenlijk niet waarom niet.

Over Anna valt veel te vertellen. Niet dat zij veel vertelt, een prater is het niet. Wel een lezer. “Juf, dit moet u eens lezen en dan kunt u het misschien voorlezen”, zegt ze terwijl ze me ‘De verdwenen prins’ geeft. Ik lees het. Als tegenprestatie raad ik haar ‘Brief voor de koning aan’, dat leest ze in één ruk uit. En ook als ik haar voorzichtig ‘Mijn broer heet Jessica’ onder de neus duw, leest ze dat in vier dagen uit en meldt daarna: “Dit is mijn favoriete boek tot nu toe”. Ze houdt namelijk altijd de mogelijkheid open -hoe verstandig- dat er nog wel eens iets beters langs kan komen.

Tekenen kan ze ook. En hoe. Daar is de hele klas het over eens. Haar werk doet ze het liefst grondig en alleen, aan samenwerken heeft ze een broertje dood en doet ze alleen als het echt niet anders kan. Het allerliefst trekt ze daarbij haar capuchon over haar hoofd en zet daar dan een koptelefoon overheen. Want geluiden boven de 10 decibel vindt ze storend. Als ze klaar is met haar werk, gaat ze óf lezen óf tekenen. En ik laat haar. Ze werkt het hardst en meest precies van iedereen, vraagt om tips om zichzelf te verbeteren, vraagt als ze iets wil weten van een onderwerp of van het leven in het algemeen. Standvastig werkt ze zich een weg omhoog en het lezen en tekenen horen daarbij, horen bij haar.

Hoewel ze geen prater is, is ze op haar eigen manier sociaal. Elke ochtend begroet ze mij en elke volwassene die ze tegenkomt met een monter ‘goedemorgen juf/meester’ en een elleboog. Sinds een week of wat vraagt ze regelmatig hoe het met me gaat. En elke dag blijft ze zo lang mogelijk in het lokaal om te helpen met schoonmaken.

Afgelopen week schreef ze een gedicht over een droom waarin ze vloog en neergeschoten werd. Nu houdt ze ook niet zo van veel aandacht, maar ik moedigde haar aan het voor te lezen. Trillend stond ze voor de klas, toch las ze haar gedicht luid en duidelijk voor.

Anna komt niet uit een gezin waar ‘je mag worden wat je wilt als je maar gelukkig bent’. Niet uit een gezin waar alles vanzelfsprekend of veilig is. Maar zij heeft voor zichzelf ongeveer een weg uitgestippeld. En ze heeft een sterk karakter.

Het verzet is nog klein, maar het is er.

Trots

Ik ben trots. Trots op mezelf welteverstaan. Nu is trots zijn op jezelf nogal een dingetje in het onderwijs. Trots zijn op leerlingen is prima -en dat ben ik natuurlijk ook vaak- maar trots op jezelf leidt al snel tot gedoe. In het onderwijs ben je nederig over je eigen presteren. Het kan namelijk al snel lijken alsof je je beter voelt dan je collega. En iedereen doet toch z’n best. En, en, en. Dus heb ik eerst een beetje in m’n eentje trots zitten zijn. Tot nu dan. Want ik wil toch dit stukje schrijven.

Het is namelijk zo dat voor het eerst in mijn carrière als basisschoolleerkracht mijn groep méér groei heeft laten zien in vergelijking met het landelijk gemiddelde bij begrijpend lezen. En dat komt natuurlijk door henzelf, door een keuze die de school maakte, maar het komt óók door mij. De school maakte een keuze om met een betere leesmethode te gaan werken. Daarmee wordt er meer gelezen op een -naar mijn idee- betere, effectievere manier. Meer leestijd, meer didactische afwisseling en meer afwisseling in tekstsoorten. En ik denk dat dit al een heel groot winstpunt is. Maar dan ik. Wat doe ik dan? Nu is het zo dat ik deze groep ook al in groep 6 had. Ik vergelijk mezelf dus vooral met wat ik twee jaar geleden niet deed of nu beter doe. Ik probeer toe te passen wat ik het gelopen jaar gelezen heb over effectief leesonderwijs, ik doe niet precies wat de methode zegt en ik denk vaak dat ik het niet helemaal goed doe. Maar dit is het resultaat. Dus kennelijk doe ik iets goed en dat is enorm goed voor mijn zelfvertrouwen. En dat zelfvertrouwen geeft mij dan weer de moed om door te gaan met wat ik doe en nog wat extra stapjes te zetten.

Waarom had ik nou de behoefte om deze trots te delen? Omdat ik in een discussie over excellente scholen terecht kwam. Eind januari hebben 20 basisscholen het predicaat ‘excellent’ gekregen. En afgezien van de felicitaties en de lof die deze scholen ten deel vielen, waren er ook de onvermijdelijke wat zure reacties. Je excellent mogen noemen zou elitair zijn en nooit ten deel vallen aan scholen in achterstandswijken. En al die leerkrachten op andere scholen die allemaal zo vreselijk hard werken, zo oneerlijk. En ik word daar een beetje kribbig van. Want hoe kunnen we leerlingen nu laten excelleren, als we zelf niet met ons hoofd boven het maaiveld uit durven komen?

Nu is het zo dat, als je als school voor het predicaat excellent in aanmerking wilt komen, je jezelf daarvoor opgeeft. Dit doe je als school, omdat je ziet dat de weg die je bewandelt, effectief en goed is en omdat je vindt dat je daar voor erkend mag worden. Beroepseer heet dat, trots zijn op je werk. En ja, voor aanmeldingen en het voortbestaan van je school zal het vast ook positief zijn. Niks elitairs dus. En daar mag je trots op zijn. Gelukkig was er ook een directeur die dat deed: Openlijk trots zijn in een interview in een landelijke krant, omdat zij en haar collega’s na jaren kneiterhard werken van een zieltogende school in een verre van elitaire buurt nu dit predicaat gekregen hadden.

En dat vond ik mooi. Als je leerlingen het goed doen, heb jij als school, als leerkracht iets goeds gedaan. Dan maak je namelijk een ambitie waar. De ambitie om goed onderwijs te geven.