Lekker cito-toetsen doen?

“Tafels in toetsopstelling” zeg ik. Binnen 2 minuten staan er vijf keurige rijen met tafels in de klas met daarachter al even keurige leerlingen die mij verwachtingsvol aanstaren. Want we gaan een cito-toets doen. De tweede deze week. Gisteren rustig begonnen met woordenschat, maar vandaag gaan we echt los met rekenen en spelling. Geduldig leg ik uit wat de bedoeling is, dat ze zich vooral niet druk hoeven te maken, dat er tijd genoeg is en dat ze het kunnen. De kinderen vragen nog even wat ze moeten doen als ze naar de wc moeten of als ze hun punt moeten slijpen, niks hoogdravends. Gelukkig weet juf overal een oplossing voor. We doen de voorbeeldopgaves. Die zijn altijd makkelijk, ik zie aan de gezichten dat het zelfvertrouwen groeit.

En daar gaan ze dan. Ernstige gezichtjes allemaal. Het is tenslotte wat, zo’n cito. Soms raakt er een de weg een kwijt en vraagt iets waar ik officieel geen antwoord op mag geven. Die duw ik dan zo subtiel mogelijk terug naar zijn of haar zelfvertrouwen. “Ik snap niet wat ik moet doen”, zegt A. “Lees de opgave nog eens”, zeg ik en ik leg mijn vinger bij de letters. Hij leest ze voor zichzelf voor en zegt “oh, ik snap het al”. En hij ploetert weer verder. Een van mij fanatieke rekenaartjes zit op z’n knieën op z’n stoel en tot mijn tevredenheid zie ik een leerling die nooit een kladblaadje gebruikt, dat nu wel doen. Het is een genoeglijk tafereel.

Ik heb een brave klas. Wie klaar is met de toets, kijkt nog eens naar z’n weektaak of stort zich op het werkboekje dat ik voor ze gemaakt heb ‘voor als ze klaar zijn met de toets’. Een uur lang is het oorverdovend stil in het lokaal. Daarna valt er wel eens een potlood op de grond, wil iemand toch even iets zeggen of heeft echt dat nakijkboek nodig en is vergeten dat hij op z’n stoel moet blijven zitten. Het geeft niet, want inmiddels is iedereen klaar en was ik al in de zone van ‘kijken hoe lang we deze rust kunnen rekken’. We strekken ons gezamenlijk even uit. Ze mogen inmiddels zachtjes overleggen en daar gaan ze zuinig mee om. Minstens de helft was zo lekker stil bezig dat ze dat stug volhouden. De rest fluistert.

Cito-toetstijd. Ik heb daar een dubbel gevoel bij. De cito-toets geeft inzicht, bevestigt wat je eigenlijk al wist, maar geeft daar extra woorden aan. Het is een instrument dat helpt bij de analyse: Waar staat deze leerling, waar staat deze klas en wat is er nodig de komende tijd? Daarnaast geeft de cito ook uiteindelijk een niveau-indicatie voor het vervolgonderwijs aan. Enorm handig allemaal. Je toetst hiermee de leerling en óók je eigen onderwijs.

Maar er zijn ook nadelen. Vanaf de kleuterklas tot aan groep 8 maken kinderen dit circus mee: twee keer per jaar een periode van één of twee weken met één of twee toetsen per dag. Elk jaar worden het er meer. En waarom eigenlijk? In al die tijd hadden we gewoon rekenles kunnen hebben, of geschiedenis, of lekker spelling of een goed gesprek kunnen hebben over waarom de plantjes in de vensterbank het zo slecht doen, of lekker een boek kunnen bespreken, of wat dan ook. Maar nee, aan maar liefst twaalf toetsen worden mijn negen- en tienjarige leerlingen onderworpen. En alhoewel ik vaak hoor dat het onderwijs vroeger stukken beter was, kan ik me niet herinneren op de lagere school zoveel toetsen te hebben gemaakt.

Nogmaals, ik vind het een handig instrument. Het is een mooie aanvulling op je eigen observaties en wat je aan werk voorbij ziet komen. Helaas is de nadruk wel heel erg komen te liggen op de niveau-indicatie. En dat is jammer, want daar zou het niet over moeten gaan. Het moet gaan over ontwikkeling en wat er nodig is om die ontwikkeling zo optimaal mogelijk te maken. Daar gaat het onder leerkrachten wel over en ook nog wel onder ouders. En toch, als puntje bij paaltje komt, moet er een bepaald niveau worden gehaald. Dan wordt er gevraagd hoe er ‘voor de cito’ goefend kan worden. En ik ben de beroerdste niet, ik faciliteer dat ook nog. Als het helpt voor het zelfvertrouwen, waarom niet?

Kinderen zijn zich akelig bewust van hun eigen ‘falen’ . Dat is een fenomeen dat er altijd was en waarschijnlijk altijd zal zijn. Ieder kind wist en weet wie er goed kan leren en wie niet. En al zegt de juf duizend keer dat het daar niet om gaat, dat het gaat om je inzet, dat wie ergens hard voor moet werken verder komt en dat er veel manieren zijn waarop je kan excelleren, het maakt niet uit. Wie slim is krijgt lekkers wie dat niet is, rest het VMBO. Niet dat ik dat zo zie, maar dat is wel zo’n beetje zoals een bepalend deel van de maatschappij het ziet. En hoe er naar de cito gekeken wordt, maakt het er niet beter op.

Vlak voor het naar huis gaan vroeg ik mijn kinderen wat ze van de dag vonden. Ongeveer eenderde deel vond het best vermoeiend (met die twee toetsen). En wat vonden ze leuk of leerzaam? Het voorlezen, de paddenstoelenkweek onderdompelen, gym…. eigenlijk alles wel.

“Wat gaan we morgen voor cito doen juf?”

“Begrijpend lezen”

“Oh, leuk!”

In groep 6 zeggen de niveaus ze nog helemaal niks. De stelling van het Jeugdjournaal vandaag over het uitstellen van de schoolkeuze ontgaat ze eigenlijk. Het enige wat ze willen weten is ‘of ze het goed gedaan hebben’.

En dat hebben ze natuurlijk. Want deze juf weet toevallig dat ze allemaal, ooit, ergens, goed terecht zullen komen. Heeft ze geen cito voor nodig.

2 gedachten over “Lekker cito-toetsen doen?

  1. Goed verhaal. Ik weet nog toen ik nog onderwijzer was in een ver verleden (1980/85) in de Bijlmermeer dat ik invalkracht van toen nog de zesde klas was met de laagste CITO-score van NL. Veel later kwam ik de kinderen tegen in allerlei constellaties, en inderdaad, de adolescenten die ik tegenkwam waren fijn terechtgekomen.

    Like

Geef een reactie op Maud Reactie annuleren