Opvang

Deze week doe ik de opvang van leerlingen met ouders met zogenoemde vitale beroepen. Ik zit dus feitelijk niet thuis maar op school. Maar gewoon is het niet. Maandag begint wel alsof alles normaal is. Om half zeven op en om even na zevenen de deur uit. Het is koud en het ruikt opmerkelijk fris. Onderweg kom ik één andere fietser tegen, een paar auto’s en zeer veel fluitende vogels. Ik moet naar ons andere gebouw en neem niet eens de verkeerde afslag. Op de fiets realiseer ik me dat ik eigenlijk niet precies weet hoe mijn dag zal verlopen. Bij de voordeur moet ik aanbellen. De directeur doet open. Een beetje ongemakkelijk staan we 1,5 meter bij elkaar vandaan. We wisselen even ervaringen uit en daarna loop ik naar boven. Ik zoek een lokaal uit. Het lokaal van een collega. Het voelt een klein beetje als inbreken. Dan om acht uur de briefing. We zitten met z’n vieren om een tafel die voor bedoeld is voor 15 mensen. Daar zitten we dan. We nemen de leerlingen door die vandaag zullen komen.

Uiteindelijk blijken dat twee kleuters en vier leerlingen uit groep 4 en 6 te zijn. De laatste vier zijn voor mij. Het is leuk weer kinderen voor je neus te hebben en de kinderen vinden het ook wel oké om op school te zijn. We beginnen met een praatje en gaan daarna lezen. Daarna zet ik ze achter de computer om hun weektaak te maken. Ze doen hetzelfde werk als hun klasgenoten thuis. Vier kinderen bedienen is natuurlijk luxe. Dus allemaal krijgen ze prettig veel aandacht van mij. Dat is ook nodig. Vooral de groepers 4 vinden het fijn als ik help met opstarten, uitleg hoe ze makkelijk bij een site kunnen komen en tussendoor gewoon gezellig met ze babbel. Toch zijn ze vrij zelfstandig. We praten en lachen tussendoor ook veel. Over wat ze gedaan hebben in het weekend (niet veel) bijvoorbeeld en over het nieuws. Als ze zich al veel zorgen maken, dan laten ze het in geval niet merken. Één van de meisjes merkt wel op dat ze toch eindelijk wel weer eens zou willen knuffelen met de juf. We spelen lekker lang buiten. Dat is extra leuk, omdat voor de gelegenheid de oudere kinderen ook met de kleuterwagens mogen spelen. En al zijn ze dan met z’n zessen, ze vermaken zich prima. Zo gaat de dag voorbij. Eigenlijk heel genoeglijk.

Maandagavond krijg ik een berichtje van één van de leerlingen uit mijn klas: “Hoe laat fiets je morgenochtend langs? Dan kan ik naar je zwaaien.” En als ik langs haar huis fiets, staat ze ook echt voor het raam. We praten even en zwaaien. Later stuurt ze nog een berichtje dat ze dat heel leuk gevonden had.

Dinsdag heb ik acht leerlingen uit vier jaarlagen onder m’n hoede. Omdat er in de lokalen maar twee computers staan, zitten ze verspreid. Maar het is geen probleem, ik maak gewoon een servicerondje over de hele verdieping en loop zo ongeveer elke tien minuten bij ze langs. Twee achtste groepers hebben alles onder controle. Het enige dat ze kwijt willen is dat het hoofdrekenen weer sneller is gegaan dan gisteren en dat ze een Engels liedje hebben vertaald. En als ik ze vraag om alle klokken in de lokalen op zomertijd te zetten, doen ze dat met veel plezier. Vooral omdat ik ze aanmoedig om ergens op te gaan staan als ze niet bij de klok kunnen. Alsof ze iets aan het doen wat normaal niet mag. En dat is natuurlijk ook zo. Twee jongens uit groep 5 hebben een hoop branie maar lopen keer op keer vast met de computer. Uiteindelijk bedenken ze zelf dat als de een het bronnenboek opent en de ander het werkboek, ze prima kunnen samenwerken. Ze wantrouwen nog even mijn compliment en leggen uit dat schrijven met de computer echt niet zo netjes kan. Een jongen uit groep 4, de groep waar ik normaal gesproken op donderdag voor sta, werkt buitengewoon goed en geconcentreerd. In de klas lukt dat lang niet altijd. Als ik op gegeven moment probeer hem achter de computer vandaan te krijgen, vindt hij dat hij eerst z’n werk moet afmaken. Tijdens het buitenspelen gaat hij samen met een van de kleuters in de zandbak. Helemaal gelukkig is hij daarmee. In de tweede pauze vindt hij de oudere jongens opeens reuze interessant. En als ze gezamenlijk loeihard vallen met een wagen, geeft hij geen krimp maar komt me trots z’n schaafwonden laten zien. “Niks aan de hand juf!” Het meisje uit groep 4, dat zowel gisteren als vandaag heel gedisciplineerd haar werk heeft gedaan en mij eigenlijk niet nodig heeft gehad, maakt in de middag een narcis. Telkens als ze vastloopt, doe ik iets voor waardoor ze verder kan. uiteindelijk heeft ze een mooie bloem gemaakt. Heel zachtjes zegt ze “dank u wel juf.” Gewone, alledaagse dingen die op een willekeurige schooldag keer op keer meemaakt. Maar omdat geen willekeurige schooldag is, sla ik het extra op.

Tussendoor beantwoord ik berichtjes van mijn eigen klas. Ik heb ze in het ochtendbericht een foto gestuurd, een tekst die mijn collega groot voor het raam heeft opgehangen. “Lieve kinderen, we missen jullie.” een stuk of acht leerlingen reageren daarop: “Ik mis u ook juf.” “Ik mis alle juffen en meesters.” “Ik mis de gezelligheid.” En ik word werkelijk overstelpt, zoals elke dag, met kunstwerken. Gisteren en vandaag was de opdracht een fantasievoertuig maken in de geest van Hundertwasser. Missie prima geslaagd.

Ik weet dan al dat het nog even gaat duren voor we elkaar weer zien. En inmiddels weten we dat het tenminste tot na de meivakantie gaat duren. In het berichtje voor woensdag (een videobericht) ben ik even serieus. Ik zeg dat het moeilijk is, voor hen, voor iedereen. Maar ik probeer ook duidelijk te maken dat dit een bijzondere periode is die ze nooit zullen vergeten, dat ze de dingen die ze nu gemaakt hebben goed moeten bewaren. En ik zeg dat we elkaar weer gaan zien en dat we dan een feestje vieren. En daarna heb ik natuurlijk gewoon weer vrolijk gedaan. Het is woensdag tenslotte 1 april.

Bericht van het thuisfront II

Er is inmiddels al anderhalve week geen school meer. Er zijn steeds zwaardere maatregelen genomen. Géén eindtoets groep 8, géén eindexamens, anderhalve meter afstand van mensen houden, géén evenementen meer etc. Tot 1 juni. Maar wat er met de scholensluiting gaat gebeuren, is nog onduidelijk.

Dat laatste bericht, 1 juni, kwam toch wel even binnen. Als dat ook voor scholen zou gelden, en het verbaast me eigenlijk dat daar onduidelijkheid over is, dan komt het er feitelijk op neer dat het schooljaar wel zo´ n beetje gedaan is. Over scholen wordt pas besloten als duidelijk is welke rol kinderen spelen bij besmetting. Onzekerheid dus weer. Net als vorige week over de eindexamens. Hoewel iedereen op z´ n klompen aanvoelde dat dat gewoon niet kon.

Ik weet er een aardig ritme in te houden. Voor 8.30u m´ n dagbericht aan de kinderen er uit en dan verder met de taken voor volgende week. Omdat alles gecheckt moet worden op werkbaarheid, kost dat best nog tijd, En ondertussen vragen en opmerkingen van kinderen en ouders (en collega’s) beantwoorden. ’s Middags stromen dan de huiswerkopdrachten binnen, met korte of iets langere berichten van de kinderen. Daar drijf ik dan zo’n beetje op. Op die berichtjes: “Juf, mijn tekening is goed gelukt. Ik heb al m’n werk gedaan en had 0 fout bij begrijpend lezen.” “Hoi juf, alles goed?” “Juf, ik snap het niet.” En foto’s van gemaakt, creatief werk. Prachtige tekeningen op de Stijl geïnspireerd, of voorkanten van werkstukken met onderwerpen als paardrijden, de Islam, hoe worden games gemaakt? of Suriname. Zelf gekozen onderwerpen om de moed er in te houden. Ook in m’n surrogaat leslokaal, mijn werkkamer, word ik door elk berichtje ontroerd en doe mijn best de kinderen voor te houden dat we elkaar allemaal weer gaan zien binnenkort. Ik heb zelfs plezier aan het maken van filmpjes voor het ochtendbericht omdat ik inmiddels weet dat ze dat erg leuk vinden.

Maandag had ik een dip. En met mij, zo leek het, heel onderwijzend Nederland. Tenminste dat kreeg ik terug van m’n twitter-onderwijsbubbel. Want op de een of andere manier was de stroom humor die mij collega’s vorige week appten, plotseling opgedroogd. Ik concludeerde dat ze dezelfde dip hadden. Al zei niemand het hardop. Ik had hem in elk geval wel. De zinloosheid van het geheel, dit nog 2 maanden doen. En waarom zou ik in hemelsnaam nog een groepsplan maken? Of individuele handelingsplannen? Toch wist ik nog op elk berichtje positief te reageren en complimenten uit te delen. Kennelijk hebben de kinderen nog geen dip. En dus ben ik in elk berichtje vrolijk en positief.

Inmiddels is het woensdag en de dip is grotendeels weg. Er begint zelfs zoiets als een sleur te ontstaan. Ik constateer iets minder interactie met de kinderen ten opzichte van gisteren. Maar misschien let ik er te veel op. Net zoals ik bij elk kuchje denkt: “Het zal toch niet?”

Van het weekend las ik twee enorm zware boeken die beide over de Jodenvervolging gingen. Ideale kost om m’n eigen sores te relativeren. Ja, het is allemaal vervelend, en ja, er loopt van alles anders dan ik dacht of zou wensen, maar hé, over een half jaar zijn we alles weer vergeten.

Mijn enige opdracht is om de moed er bij de kinderen in te houden, ook hen te overtuigen dat we op een dag weer samen zijn en dat het allemaal goed komt. De plicht om optimistisch te zijn. Nou, dat moet dan maar.

Bericht van het thuisfront

Er is geen school meer. En vooralsnog ben ik thuis. Een klein groepje collega’s is vandaag bezig geweest de grote lijnen uit te zetten. De rest moet wachten op opdrachten. Ik vind dat wijs, maar het maakt me rusteloos. Dat wachten.

Het begon natuurlijk vrijdag al. Toen iedereen verwachtte dat de scholen zouden sluiten en dat niet gebeurde. Ik had daar een dubbel gevoel over. En natuurlijk, zoals iedereen, las ik me suf over het onderwerp zonder echt veel wijzer te worden. Maar ergens, stiekem, was ik vooral opgelucht. Voor mijn gevoel zou een besluit tot het sluiten van de scholen en andere vergaande maatregelen zoals die nu genomen zijn, definitief duidelijk maken hoe ernstig de situatie was.

In eerste instantie was ik alleen nog maar geconfronteerd met het sluiten van de Hogeschool, géén tentamen komende dinsdag, géén tentamen op 30 maart. Daar haalde ik m’n schouders over op. Dat komt later wel weer goed. Verder waren er een aantal bijeenkomsten die niet doorgingen. Jammer, maar helaas. Met verbazing las ik berichten over mensen die gingen hamsteren en snapte niet waarom. Want hoewel ik de ernst van de situatie inmiddels wel zag, wilde een deel van mijn hersenen er toch nog niet helemaal aan.

Zaterdagavond, na het bericht dat het kabinet toch weer om de tafel ging over verdere maatregelen werd ik definitief onrustig. Hoe zou mijn maandag er uit zien? En toen werd het zondagmiddag 17.30u. Het bericht waarvan iedereen kennelijk zeker wist dat het ging komen, kwam. Het leek nog eindeloos te duren voor we bericht kregen van de directie. Een kleine groep mensen zou vandaag aan de slag gaan, de rest moest thuisblijven en wachten op nadere instructies. Dan komen we dinsdag wel bij elkaar, dacht ik nog.

Tussendoor speelde ook nog de uitvaart van mijn schoonmoeder komende woensdag. Ze is maandag overleden. Haar zonen hebben de moeilijke beslissing moeten nemen iedereen af te zeggen en het in besloten kring te doen. Geen familie die bij elkaar komt, geen vrienden om even vast te houden.

Vandaag, maandag, beetje aan boek gewerkt, in de tuin rondgelopen, dingen verplaatst, de was opgevouwen en het boekenweekgeschenk gelezen. Alles zonder veel enthousiasme. Én elk kwartier m´´ n mail gecheckt. Pas na twaalven kwam er een vraag wie opvang wilde doen. In de tweede helft van de middag stroomde nadere instructies binnen. Programma van morgen is verzorgd, voor groep 6 mag ik de rest doen. Anderen gaan kinderen opvangen. Langzaam dringt tot me door dat naast de kinderen een tijdje niet zien, ik ook mijn collega´ s dus ga missen. We worden namelijk niet geacht in school te zijn. Hoe verstandig ook, het stemt me verdrietig.

Maar boven dat alles heb ik het besef dat je pas weet hoe goed je het hebt, als je iets kwijtraakt. In dit geval vanzelfsprekendheden. Er komen andere dingen voor terug, mensen gaan elkaar helpen, bieden aan boodschappen te doen etc. Crisis brengt kennelijk soms het slechtste maar vaak het goede in mensen naar boven. Mocht ik het mis hebben, dan geloof ik er toch graag in.

Morgen de dag beginnen met een berichtje aan mijn leerlingen. En daarna zien we wel verder.

Lezen

In mijn lokaal slingeren overal boeken. Het stoort me niet. Ik heb tenslotte toestemming gegeven dat leesboeken in de vensterbank gelegd mogen worden als ze niet in het laatje passen. En laatjes raken op de een of andere manier heel snel vol. Geen idee waarmee, maar als ik twee weken geen aandacht aan de laatjes-orde besteed, slagen sommige kinderen er in ze vol te laten stromen. Daarnaast vinden ze het blijkbaar ook fijn om hun leesboek te allen tijden binnen handbereik te hebben. Bij één leerling neemt dat serieuze vormen aan. Zodra ze de kans krijgt, zit ze met haar neus in een boek. Af en toe kijk ik eens wat voor boeken het nu zijn. Sommige series zijn erg in. Op dit moment liggen er zeker drie boeken uit de ‘rotschool’ serie van James Patterson te wachten op hun gretige lezers.

De beste reclame voor boeken zijn lezers zelf. Daarom hebben we twee keer per week boekenkring. Zo ook vandaag. Enigszins zenuwachtig, begint T met zijn presentatie. Hij heeft een uitstekende PowerPoint ter ondersteuning. De klas luistert braaf terwijl ze ondertussen op hun tienuurtje kauwen. T praat een beetje zachtjes maar wel met overtuiging. Het boek gaat over een voetbalkamp. Leuk onderwerp natuurlijk. Hij doet alles zoals het moet: inhoud vertellen, waarom hij dit boek gekozen heeft, stukje voorlezen, quizje, vragen laten stellen en om tops en tips vragen. Ik laat het geheel aan de presentator over en zit genoeglijk achterover geleund naar hem en de klas te kijken en te luisteren. Ze doen het zo goed. Ik word er elke keer weer vrolijk van. Uit de antwoorden op de quiz blijkt dat ze goed geluisterd hebben. De gestelde vragen zijn zelden orgineel maar welgemeend. De tops en tips worden bij elke presentatie beter. En eigenlijk hoef er ik nooit echt iets aan toe te voegen. Maar dat doe ik natuurlijk wel. Uiteindelijk is feedback en een beoordeling van mij toch wel fijn.

Vol verwachting kijkt T naar mij. “Heb ik het goed gedaan?” staat in z’n ogen te lezen. Ik herhaal wat zijn medeleerlingen ook al hebben gezegd, maak hooguit de tips wat duidelijker, doe het ook voor. “Als je voorleest, kan je zo gaan staan dan kan je de klas inkijken.” Meestal is de klas het eens met mijn beoordeling. Maar vandaag niet. “Nee juf, het is echt een goed waard.” Ik vraag waarom. En ik krijg uitstekende argumenten te horen. “Hij las dan wel wat zachtjes maar zijn verhaal was helemaal perfect.” “Hij heeft echt een mooie PowerPoint gemaakt.” Mijn klas doet niet aan vriendjespolitiek, dit was oprecht. Dus ik gaf ze gelijk. Er wordt tevreden geknikt en T straalt.

Aan het eind van lesdag, lees ik nog een stukje voor. Een aantal leerlingen vindt het fijn om dan te tekenen. Ik had daar aanvankelijk wat moeite mee omdat ik dacht dat ze het verhaal dan niet volgen. Maar vanmiddag, toen ik bij een absurd stukje aangekomen was waarbij tips gegeven werden hoe om te gaan met een ontvoering door aliens, ging er opeens een algemeen “whoe” door de klas. Ze volgen het prima.

We gaan naar huis. Ik zie dat iemand de boeken in de boekenkast netjes recht heeft gezet. En verder slingeren er nog meer boeken dan gisteren rond.

Atlas

Er staat studievaardigheid op het programma. De gezichten in mijn klas staan op volmaakte ontevredenheid. Studievaardigheden vinden ze stom. En eerlijk is eerlijk, ik heb er zelf ook wat moeite mee. Niet met de vaardigheden zelf natuurlijk, wel met een aparte methode. Nu was het onderwerp van de les toevallig ´kaartlezen´ dus ik dacht: “Ach. laat ik de atlas er eens bij pakken”. Van de week hadden we ook al even tien minuten in dat wonderlijke boek geneusd en waren ze teleurgesteld geweest dat het maar zo kort duurde.

Dus de atlassen kwamen op tafel. Er ontstond een lichte opgewondenheid. Ze konden het nog maar net opbrengen om naar mijn instructie te luisteren. Bij een pauze in het verhaal, stonden er al een paar op om naar de stapel te lopen. Maar juf wilde natuurlijk duidelijk maken wat de bedoeling was én alles gestructureerd laten verlopen. Enigszins teleurgesteld dropen ze weer af. Anderen die doorhadden dat ik toch echt m’n verhaal ging afmaken, maanden ze ook: “Stil nou, ga zitten!”. Bang dat het nog langer zou duren.

Toen uiteindelijk elk tweetal voorzien was van het fel begeerde boek, vielen ze er op aan als een stel uitgehongerde wolven. Opgewonden klonken hun stemmen door het lokaal. Er werd druk gebladerd. “Kijk, kijk!” Ik kreeg nauwelijks de kans om de plaatsen die ze geacht werden op te zoeken, op te schrijven. Binnen no time hadden ze dan ook alle Nederlandse plaatsen gevonden, de helft zelfs al met kaart- en bloknummer erbij. Precies zoals ik gevraagd had. Alsof het een wedstrijd was.

Maar toen kwamen de exotische plaatsen: Dakar, Canberra, Jaipur, Spitsbergen. Vertwijfelde blikken mijn kant op, want die kon je niet meer zo makkelijk met de kaartwijzer voorin vinden. Ik glimlachte vriendelijk richting klas en vroeg: “Wat was ook alweer de andere manier om iets op te zoeken?.”

En hup, daar kwam het register tevoorschijn. Een enkeling bleef hier nog even steken, maar met kleine suggesties als ‘alfabet’ en ‘tweede en derde letter’, was er niemand die deze horde niet óók nam. Er zoemde een gevoel van overwinning door het lokaal, ze hadden door hoe het werkte. Alleen Spitsbergen was nog even een hobbel. “Wat een rare kaart juf.” En: “Maar A2/3 staat niet op de kaart.” En toch vonden ze het, dat verre eiland in de Noordelijke IJszee.

En dan opeens: “Juf, mijn naam staat in de atlas”. Een meisje ontdekt dat haar naam óók een plaats in Italië is en straalt helemaal van deze ontdekking. Een ander meisje dat meestal te bescheiden is om te laten zien wat ze weet, zegt dat ze allang wist waar Jaipur lag. “In India!” zegt ze met een lach op haar gezicht. Daar komt ze namelijk zelf vandaan.

“Veel leuker dan studievaardigheden juf”, is het algemene oordeel. Ik glimlach. Kijken of ze volgende week nog steeds zo enthousiast zijn als ik met ‘schaal’ aankom, of ‘landbouwgrond’ of ‘de hoogte van bergen’.

Maar ik kan ze natuurlijk ook een reis laten maken.

Wereldbeeld

Lezen. Een van de meest wonderlijke vaardigheden van de mens. Voor zover ik kan bedenken, is geschreven taal iets wat écht voorbehouden is ons. Ik hou van lezen. Ik hou van dieren, ik hou van biologen die dagen, maanden, jaren gebogen over een soort zitten en dan alles beschrijven wat ze zien. Ik deed het zelf een zomer lang.

Ik kreeg een boek. Een gekregen boek is altijd spannend. Wat je zelf kiest, kies je op basis van wat je over jezelf weet. Vroeger had ik moeite met gekregen boeken maar tegenwoordig ga ik ze gewoon lezen. Vaker dan ik gedacht had, bevalt zo´n boek. Zo ook het boek ´Wilde verhalen` van Lucy Cooke. Met als ondertitel: de ware aard van onbegrepen beesten. Een spannend boek vol (wetenschappelijke) misvattingen, over 18e eeuws nepnieuws of wetenschap die gebaseerd was op ego of moraal. En over onze vreemde verhouding tot dieren natuurlijk. Over de arrogantie van de mens en onze onvermijdelijke neiging dieren onze eigen eigenschappen toe te dichten.

Er zijn veel fabeltjes in omloop over dieren, en sommige zijn hardnekkig. Nog steeds denken kinderen dat vleermuizen op je bloed uit zijn, nog steeds zijn er verhalen dat elanden dronken worden van rijp fruit nog steeds denken wij dat chimpansees een soort onderontwikkelde mens is. En nog steeds denken we dat we de reuzenpanda kunnen redden door ze in dierentuinen te fokken. Het is allemaal niet waar. Net zomin als dieren zich houden aan morele standaarden van heteroseksualiteit, monogamie en het gezin als hoeksteen. Zodra iemand roept dat iets ‘niet natuurlijk is’, houdt dit dan in gedachte: dieren neuken met van alles en nog wat, hebben opmerkelijk vaak relaties met hetzelfde geslacht, gaan aan de lopende band vreemd en hebben niet altijd een vast rolpatroon.

Als grote, wereldbeeldveranderende theorieën zich aandoen, dan gaan mensen zich er tegen verzetten. Dat was zo toen bleek dat de wereld niet plat was, dat was zo toen bleek dat levende wezens zich volgens een bepaalde lijn hebben ontwikkeld (en niet door Gods hand), dat was zo toen bleek dat de mensen en mensapen dezelfde voorouders hebben en dat is nu zo. En het gaat het razendsnel. Want niet alleen is ons beeld ten aanzien van dieren aan het veranderen, we moeten nu echt onder ogen zien dat we de Aarde aan het kapotmaken zijn. Dat roept verzet en hoon op. Er is angst dat dat wat zeker is, losgelaten moet worden.

Want wat betekent het voor jezelf als je moet erkennen dat dieren gelijkwaardig zijn aan ons? En wat betekent het, als je moet erkennen dat je de levensstijl die je al lange tijd hebt, moet loslaten.

Ga er maar aanstaan, ik probeer het, maar het lukt me lang niet altijd. Dit boek heeft me wel weer aan het denken gezet. Naast het feit dat het gewoon een ontzettend goed geschreven, grappig boek vol verrassende weetjes is.

Voetbalplaatjes

Ik loop het lokaal van mijn klas in. Vandaag staat mijn maatje voor de klas en ben ik bezig met technisch lezen te toetsen. Het is net buitenspeeltijd en het grootste deel van de klas is al weg. Ik zie twee vriendinnetje. Een met dikke tranen, de ander met een boos gezicht. Mijn collega wil graag naar buiten maar deze twee kan ze zo niet achterlaten. “Zal ik het even afhandelen?” vraag ik. Niet dat ik daar op zat te wachten, ik was al langer bezig met die toetsen dan ik ingeschat had en wilde eigenlijk gewoon verder. Maar tranen en een boos koppie kun je natuurlijk niet negeren.

Ik gebaar de twee dat ze moeten gaan zitten. Eerst doet A haar verhaal. Het komt er op neer dat ze twee voetbalplaatjes gekregen heeft maar dat B die terug wilde en een plaatje heeft afgepakt. “En toen kregen we ruzie”. En niet alleen met woorden, er was ook trekken en schoppen aan te pas gekomen en nu ligt er een gescheurd voetbalplaatje op de grond. “En ik heb daar heel lang voor gespaard” aldus een snikkende A. Het verhaal van de andere kant is natuurlijk dat B de plaatjes wel gegeven had, maar dat bedoelde als ruil. Dat had ze er alleen niet bij gezegd. Ik vraag A of ze dat niet begrepen had, of had kunnen begrijpen. Ze haalt haar schouders op maar zegt toch dat het wel logisch is, je geeft niet zomaar voetbalplaatjes weg.

Ondertussen komt de rest van de klas weer binnen, dus we verhuizen naar een andere plek. Gelaten lopen ze achter me aan. Ik vat samen wat ik ongeveer gehoord heb en geef er mijn mening bij. “Ik snap dat je dacht je ze kreeg, maar ik snap ook dat B er van uit ging dat het om ruilen ging. Het was handig geweest om dat even te zeggen.” Ik vraag wat er nodig is om het weer goed te maken. A hoeft alleen maar het plaatje terug, B wil excuses. Maar dan wil A dat ook “want ze heeft aan m’n trui getrokken en dat deed erg veel pijn”. Toch lijken ze allebei al wat afgekoeld en ik meen aan ze te zien dat ze het goed willen maken. Ik vraag wat er gaat gebeuren als ik ze even ergens neer zet en ze het dan met z’n tweeën oplossen. Dat gaat wel lukken, zeggen ze.

Ik toets tussendoor een andere leerling en loop daarna weer naar ze toe. “Lukt het een beetje?” vraag ik. Nee dus. A zegt “we blijven steeds maar zeggen wat de ander heeft gedaan.” Ik knik en kijk ze beide even aan. A huilt niet meer en ziet er uit alsof ze het wel oké vindt zo. B kijkt boos. Nu is B wel vaker boos, maar ik zie dat ze zich enorm inhoudt. Ik leg ze de keuze voor: of de hele dag boos op elkaar blijven óf accepteren dat dit gebeurd is, gehoord hebben hoe de ander zich daar over voelde en weer verder gaan. Dan kan namelijk. Ze knikken allebei en kijken elkaar steels aan. Dan barst B los. Ze is eigenlijk boos op zichzelf. Ze had vanmorgen met haar begeleider afgesproken dat als ze boos werd, ze niet naar 10 zou gaan maar maximaal tot 5. “En nu is dit helemaal niet gelukt.” Ze kijkt me met grote ogen aan, teleurgesteld in zichzelf, haar ogen glanzen, er komen nog net geen tranen. A kijkt haar met verbazing aan en knikt vol begrip. Het ging allang niet meer om die plaatjes dus. Ik geef haar een compliment “goed dat je dit zegt hoor, maar je ik vind wel dat je het goed gedaan hebt, ik heb je niet zien ontploffen en bent blijven praten.” En dat vind ik ook. Ik heb hele andere scenes met haar meegemaakt en ik weet hoeveel moeite ze heeft om haar boosheid onder controle te houden. En nu verwacht ze van zichzelf dat dat in één keer over is. “Dat moet je oefenen” zeg ik, “dan gaat het steeds beter”. Ze glimlacht nu weer een beetje.

“En nu?”, vraag ik. Als antwoord geven elkaar een knuffel en kunnen ze de klas weer in. Bij het uitgaan loop ik weer de klas binnen om de toets weg te bergen. A komt naar me toe en zegt: “we hebben nog de hele tijd ruzie zitten maken”. Ik kijk haar fronsend aan. “Dat is een grapje hoor juf!” zegt ze, terwijl ze lachend, half tegen me aan leunt.

Maandag maar weer eens duidelijk maken dat de ruilmarkt wat mij betreft op het plein plaatsvindt, en niet in de klas.

Lekker cito-toetsen doen?

“Tafels in toetsopstelling” zeg ik. Binnen 2 minuten staan er vijf keurige rijen met tafels in de klas met daarachter al even keurige leerlingen die mij verwachtingsvol aanstaren. Want we gaan een cito-toets doen. De tweede deze week. Gisteren rustig begonnen met woordenschat, maar vandaag gaan we echt los met rekenen en spelling. Geduldig leg ik uit wat de bedoeling is, dat ze zich vooral niet druk hoeven te maken, dat er tijd genoeg is en dat ze het kunnen. De kinderen vragen nog even wat ze moeten doen als ze naar de wc moeten of als ze hun punt moeten slijpen, niks hoogdravends. Gelukkig weet juf overal een oplossing voor. We doen de voorbeeldopgaves. Die zijn altijd makkelijk, ik zie aan de gezichten dat het zelfvertrouwen groeit.

En daar gaan ze dan. Ernstige gezichtjes allemaal. Het is tenslotte wat, zo’n cito. Soms raakt er een de weg een kwijt en vraagt iets waar ik officieel geen antwoord op mag geven. Die duw ik dan zo subtiel mogelijk terug naar zijn of haar zelfvertrouwen. “Ik snap niet wat ik moet doen”, zegt A. “Lees de opgave nog eens”, zeg ik en ik leg mijn vinger bij de letters. Hij leest ze voor zichzelf voor en zegt “oh, ik snap het al”. En hij ploetert weer verder. Een van mij fanatieke rekenaartjes zit op z’n knieën op z’n stoel en tot mijn tevredenheid zie ik een leerling die nooit een kladblaadje gebruikt, dat nu wel doen. Het is een genoeglijk tafereel.

Ik heb een brave klas. Wie klaar is met de toets, kijkt nog eens naar z’n weektaak of stort zich op het werkboekje dat ik voor ze gemaakt heb ‘voor als ze klaar zijn met de toets’. Een uur lang is het oorverdovend stil in het lokaal. Daarna valt er wel eens een potlood op de grond, wil iemand toch even iets zeggen of heeft echt dat nakijkboek nodig en is vergeten dat hij op z’n stoel moet blijven zitten. Het geeft niet, want inmiddels is iedereen klaar en was ik al in de zone van ‘kijken hoe lang we deze rust kunnen rekken’. We strekken ons gezamenlijk even uit. Ze mogen inmiddels zachtjes overleggen en daar gaan ze zuinig mee om. Minstens de helft was zo lekker stil bezig dat ze dat stug volhouden. De rest fluistert.

Cito-toetstijd. Ik heb daar een dubbel gevoel bij. De cito-toets geeft inzicht, bevestigt wat je eigenlijk al wist, maar geeft daar extra woorden aan. Het is een instrument dat helpt bij de analyse: Waar staat deze leerling, waar staat deze klas en wat is er nodig de komende tijd? Daarnaast geeft de cito ook uiteindelijk een niveau-indicatie voor het vervolgonderwijs aan. Enorm handig allemaal. Je toetst hiermee de leerling en óók je eigen onderwijs.

Maar er zijn ook nadelen. Vanaf de kleuterklas tot aan groep 8 maken kinderen dit circus mee: twee keer per jaar een periode van één of twee weken met één of twee toetsen per dag. Elk jaar worden het er meer. En waarom eigenlijk? In al die tijd hadden we gewoon rekenles kunnen hebben, of geschiedenis, of lekker spelling of een goed gesprek kunnen hebben over waarom de plantjes in de vensterbank het zo slecht doen, of lekker een boek kunnen bespreken, of wat dan ook. Maar nee, aan maar liefst twaalf toetsen worden mijn negen- en tienjarige leerlingen onderworpen. En alhoewel ik vaak hoor dat het onderwijs vroeger stukken beter was, kan ik me niet herinneren op de lagere school zoveel toetsen te hebben gemaakt.

Nogmaals, ik vind het een handig instrument. Het is een mooie aanvulling op je eigen observaties en wat je aan werk voorbij ziet komen. Helaas is de nadruk wel heel erg komen te liggen op de niveau-indicatie. En dat is jammer, want daar zou het niet over moeten gaan. Het moet gaan over ontwikkeling en wat er nodig is om die ontwikkeling zo optimaal mogelijk te maken. Daar gaat het onder leerkrachten wel over en ook nog wel onder ouders. En toch, als puntje bij paaltje komt, moet er een bepaald niveau worden gehaald. Dan wordt er gevraagd hoe er ‘voor de cito’ goefend kan worden. En ik ben de beroerdste niet, ik faciliteer dat ook nog. Als het helpt voor het zelfvertrouwen, waarom niet?

Kinderen zijn zich akelig bewust van hun eigen ‘falen’ . Dat is een fenomeen dat er altijd was en waarschijnlijk altijd zal zijn. Ieder kind wist en weet wie er goed kan leren en wie niet. En al zegt de juf duizend keer dat het daar niet om gaat, dat het gaat om je inzet, dat wie ergens hard voor moet werken verder komt en dat er veel manieren zijn waarop je kan excelleren, het maakt niet uit. Wie slim is krijgt lekkers wie dat niet is, rest het VMBO. Niet dat ik dat zo zie, maar dat is wel zo’n beetje zoals een bepalend deel van de maatschappij het ziet. En hoe er naar de cito gekeken wordt, maakt het er niet beter op.

Vlak voor het naar huis gaan vroeg ik mijn kinderen wat ze van de dag vonden. Ongeveer eenderde deel vond het best vermoeiend (met die twee toetsen). En wat vonden ze leuk of leerzaam? Het voorlezen, de paddenstoelenkweek onderdompelen, gym…. eigenlijk alles wel.

“Wat gaan we morgen voor cito doen juf?”

“Begrijpend lezen”

“Oh, leuk!”

In groep 6 zeggen de niveaus ze nog helemaal niks. De stelling van het Jeugdjournaal vandaag over het uitstellen van de schoolkeuze ontgaat ze eigenlijk. Het enige wat ze willen weten is ‘of ze het goed gedaan hebben’.

En dat hebben ze natuurlijk. Want deze juf weet toevallig dat ze allemaal, ooit, ergens, goed terecht zullen komen. Heeft ze geen cito voor nodig.

De inspectie op bezoek.

Vlak voor de kerstvakantie kwam de boodschap die iedereen in onderwijsland vreest: “De inspectie komt op bezoek”. En al kwam het niet als een donderslag bij heldere hemel, het is toch even slikken als je dat hoort. Gelukkig ging het niet om een beoordelingsbezoek maar om een zogenaamd themabezoek. In zo’n bezoek kijkt de inspectie naar een specifiek onderdeel waarvan de school zegt dat dit een speerpunt is. In dit geval het didactisch handelen. De resultaten worden dan meegenomen in een landelijk onderzoek dat in mei resulteert in “De staat van het onderwijs”. Dit document verschijnt elk jaar.

Na zo’n mededeling ontstaat er dan in school een lichte nervositeit. De directie wil alles op orde hebben en leerkrachten krijgen op voorhand in meer of mindere mate de zenuwen bij de gedachte dat ze bezocht zullen worden. Al zijn we nog zo gewend aan bezoeken in de klas, vreemde ogen blijven toch een beetje eng en helemaal als er wat van afhangt. De eerste week na de kerstvakantie stond dan ook in het teken van ‘het inspectiebezoek’. Een extra teamvergadering om nog even duidelijk te maken wat er ging gebeuren en om nog even in herinnering te brengen wat onze speerpunten dan zijn, zaken die zijn blijven liggen toch nog even op orde brengen. De overheersende boodschap “We zijn echt goed bezig” en “We zien veel vooruitgang” ten spijt, het blijft spannend. Op de vrijdag voor het bezoek werd duidelijk dat de school de regie mocht voeren en bepalen wie bezocht werd en wie er bij het nagesprek aanwezig mocht zijn. Opluchting bij velen, iets minder bij de vier die de eer te beurt viel. Al hielden ze zich groot (en terecht overigens).

Het klinkt allemaal heel erg, maar ik zelf had er alle vertrouwen in. Ook als ze bij mij in de klas waren gekomen, had ik daar niet wakker van gelegen. In tegenstelling tot wat velen denken, denk ik namelijk dat de inspectie onze vriend is. Het is goed dat er regelmatig iemand van buitenaf, met verstand van zaken meekijkt en constateert wat er goed gaat en wat er beter kan. En mijn ervaring is, na zo’n vijf inspectiebezoeken, dat ze de juiste conclusies trekken. En ja, ik heb ook een keer meegemaakt dat mijn afdeling een ‘zwak’ kreeg. Dat is klote, maar het was wel terecht en het heeft uiteindelijk ook wat opgeleverd.

En zo ging dat ook vandaag. Twee vriendelijke, geruststellende mensen met zichtbaar verstand van onderwijs. Ze herkenden alle goede dingen waar wij mee bezig zijn, hadden een paar goede tips en gaven prima feedback aan de collega’s bij wie ze in de klas geweest waren. Voor die vier wás het ook spannend: zij moesten tenslotte laten zien waar wij als school voor staan, dat is best een verantwoordelijkheid. Althans zo voelde het vast. Ik hoefde alleen maar bij het nagesprek te zijn, waar ik ook nog eens niet heel erg veel aan bij hoefde te dragen.

Maar waarom had ik nu dat vertrouwen? Wij zijn op school met drie dingen bezig, dingen waar het in mijn ogen écht om gaat: De didactische aanpak, de pedagogische aanpak en de rekenopbrengsten (wat weer samenhangt met het eerste punt). En dat doen we door gebruik te maken van evidence informed modellen: EDI en PBS. Bovendien hebben we een nieuwe rekenmethode (Getal en Ruimte junior) die hier op aansluit. Onze studiedagen zijn steeds op deze zaken gericht en dat zorgt voor borging. Daarnaast wordt er erg ingezet op het team: het samenwerken, het gebruik maken van ieders kwaliteiten, een positieve benadering en veel teamborrels (met verbazingwekkend weinig alcohol).

Als de bezoekers dan constateren dat dat zichtbaar is en dat ze meer werkgeluk ervaren dan werkdruk dan kan ik dat alleen maar beamen. Ik ben in de 22 jaar dat ik in het onderwijs werk, nog nooit zo gelukkig geweest. En dat komt door wat ik hierboven heb beschreven, dat komt door de leerlingen, dat komt door het professionele klimaat, door mijn lieve, grappige, kundige, aardige collega’s en uiteraard door wat ik zie wat dat met kinderen doet. En ja, ik realiseer me dat wij het enorme geluk hebben dat we dit schooljaar niet met een tekort kampen. Vorig jaar was dat wel het geval en toen stonden de zaken er echt anders voor. Voor een deel komt dit overigens omdat onze directie in mijn ogen een verstandige beslissing heeft genomen: geen externe vervanging meer waardoor er enige ruimte kwam in de formatie.

Dus wat ik eigenlijk wil zeggen: een professioneel klimaat zorgt voor gelukkige leerkrachten (en ja, er zullen er bij ons ook vast wel zijn die dit anders ervaren, elk mens is tenslotte anders) en voor een aantrekkelijk beroep.

Maar dan moeten ze er wel zijn, die leerkrachten. Er zullen veel scholen zijn waar dat een groter probleem is. Ik ben dan ook zeer benieuwd naar “De staat van het onderwijs 2020”. En daar heb ik dan weer wat minder vertrouwen in. Dat ligt niet aan scholen of aan leerkrachten, maar aan het ons bekende tekort.

Hallo lezer!

Daar gaan we dan. Het web wemelt van de juffen en meesters dus daar kan er nog wel eentje bij nietwaar. Ik dus. Gewoon omdat het kan en omdat ik er zin in heb. Natuurlijk ga ik je lastig vallen met hoe geweldig ik mijn werk vind (want ja, dat vind ik) en meningen die je misschien ook wel een ergens anders bent tegengekomen. Dus ik ga je niet vertellen hoe geweldig of uniek ik ben, want dat ben ik namelijk niet. Maar wat ik wel kan, is leuk schrijven. Dus laat je verrassen!