Aandacht.

H. steekt zijn vinger op. Ik wil met het dictee beginnen, dus ik vraag hem: “Gaat je vraag over het dictee?” Hij denkt kort na en zegt dan: “Misschien.” H. wil vaak nog even iets zeggen, vragen of zijn mening ergens over geven. Regelmatig gaat het totaal ergens anders over dan waar we op dat moment mee bezig zijn. Sowieso wil hij veel aandacht van mij én van zijn klasgenoten. En die krijgt hij. Of niet. Ik balanceer altijd tussen wanneer wel en wanneer niet.

Nu dus niet. We gaan dictee doen en ik negeer -dit keer- het niet al te nadrukkelijke ‘ja, maar’.

H. is mijn achilleshiel. Hij is slim en heeft donders goed door dat hij als hij echt doorzet, ik hem niet kan negeren. Hij confronteert me met mijn eigen pedagogische falen en dan plak ik hem het liefst achter het behang. De sport voor hem is om aandacht te krijgen, voor mij om die alleen op de juiste momenten te geven. Maar uiteindelijk is hij nog maar tien. Dus ik doe mijn stinkende best om het te reguleren. Met wisselend succes overigens. Soms wordt hij ‘boos’ als ik niet op hem reageer en op een ander wel. Vreselijk onrechtvaardig vindt hij dat. “Je bent niet de enige in de klas”, zeg ik dan. Op het ene moment legt hij zich daar bij neer, op het andere moment gaat hij er op door. Soms door gewoon door te ‘ja maren’, soms door boos zijn hoofd op z’n armen te leggen, soms door zachtjes door te blijven sputteren. Vaak negeer ik dat, maar soms ben ik het zat en zeg dat hij gewoon op moet houden. Inmiddels zijn we op een punt dat hij meestal eieren voor z’n geld kiest en ik dat ik ervoor zorg dat er geen conflict ontstaat.

We hebben al stappen gezet. Hij steekt inmiddels zijn vinger op. En als hij boos wordt, laat hij dat alleen nog maar merken door heel boos te kijken. En ik reageer steeds vaker alleen als ik iets positiefs te melden heb.

En toen had hij zijn rekentoets niet goed gemaakt. Met een gezicht als een oorwurm zit hij op z’n plek. Aan het eind van mijn rondje door de klas om vragen te beantwoorden, ga ik bij hem zitten en vraag of hij niet blij is met z’n toets. Hij knikt alleen. “Heb je een idee hoe dat komt?”, vraag ik. Hij haalt z’n schouders op.

Dus ik heb het over meedoen met de instructie, berekeningen opschrijven, bij het nakijken ook echt kijken wat er fout ging, niet snel werken maar goed werken. Hij antwoord alleen maar met: “Ja” en knikt daar overtuigend bij. Het is kwart voor twee en hij wil schaken en dus van mij af. Ik moet er bijna om lachen. “En je bent eigenwijs”, zeg ik vriendelijk, “Dat is op zichzelf geen slechte eigenschap, maar soms wel onhandig.” Ook nu knikt hij.

’s Middags krijg ik een berichtje van zijn moeder dat hij thuis gekomen was met de teleurstelling over zijn toets en hoe ze hem kon helpen. Ik reageer uitgebreid. Hoe de toets is opgebouwd en op welke onderdelen hij de stof nog niet beheerst. Maar ook schrijf ik mijn andere bedenkingen erbij. Het is altijd afwachten hoe ouders reageren. De coronamaatregelen ontnemen ouders en ons de kans om even op het schoolplein dingen uit te wisselen en soms leidt dat tot ongenuanceerde antwoorden. En dan druk ik me zachtjes uit.

Maar het antwoord is duidelijk en kort. ‘Dank je voor het uitgebreide antwoord. We zullen dit met hem bespreken.’

H. en ik komen er wel uit, vroeg of laat. En al heb ik mijn collega wel eens voorgesteld om hem te ruilen, ik ben toch wel aan hem gehecht. Ik denk dat ik mezelf herken.

Damokles

Het is nog niet voorbij met Corona. In mijn klas zit nu de derde leerling tien dagen thuis omdat er een huisgenoot besmet is. Tig collega’s zijn getest omdat ze ziekteverschijnselen hadden. Gelukkig allemaal negatief maar hun klas had één of meerdere dagen geen leerkracht. Al zeventien keer kwam het voor dat er een klas een dag thuis zat. Het lange wachten op een testuitslag werkt ook niet erg mee. Ons bestuur was dat laatste ook zat en heeft zelf particuliere testen ingekocht.

Vandaag drukte de directie ons op het hart om vooral je werktijd aan te houden. Daarmee werd niet bedoeld dat mensen te weinig uren draaien. Ik ben geen tobber, maar ik merk het wel. Elke dag weer de vraag of een collega al dan niet positief getest zal worden, hoe het met de leerlingen thuis gaat, hoe te voorkomen dat ik zelf ziek word, bij elke nies je afvragen of het doorzet. Niet dat het heel zwaar drukt, daarvoor leidt lesgeven gelukkig te veel af.

Wat niet helpt is dat ook leerkrachten soms dagen op een testuitslag moeten wachten. Collega’s balen er van dat ze thuis zitten met klachten waarmee ze normaal gesproken gewoon door zouden werken. Zelf merkte ik dat omdat mijn partner getest moest worden en ook ik dreigde thuis te belanden. Dat viel mee, ergens in de provincie kon nog snel getest worden en het was weekend. Maar de dreiging die twee dagen duurde, zorgde er toch voor dat ik nóg maar een beetje voorzichtiger werd. Ik zie maar weinig mensen en houd meters afstand. Meestal tenminste.

Het hangt als een zwaard van Damokles boven ons hoofd: dat er daadwerkelijk iemand ziek wordt door Corona of iets anders. Met de herfst en het daarmee gepaard gaande gesnotter in zicht, hangt dat zwaard behoorlijk laag. Vervanging is er namelijk niet.

Poep.

Ik ben een goede drie weken onderweg met mijn nieuwe groep 7. Veel gaat er goed, en veel vooral zoals ik wil dat het gaat. Sommige dingen moeten nog wat bijgeschaafd worden, maar ik ben vooralsnog niet ontevreden.

Omdat de groepen 6 (die nu dus 7 zijn) vorig jaar een bende maakte van de wc, ben ik dit jaar begonnen met een rigide beleid rond het wc-bezoek: 1 jongen, 1 meisje, eerst vragen of je mag en bij terugkomst aan mij rapporteren hoe de wc er uit ziet. Omdat ik uitgelegd heb waarom, vinden ze het een volkomen terechte maatregel.

B komt terug van de wc. Als hij terugkomt in de klas, deelt hij met een verontwaardigde blik mee: “Er zit allemaal poep in de wc.” Gaan we weer, denk ik. Niet echt iets waar ik mee bezig wil houden, maar ook niet kunt negeren. Bovendien waren er van de andere klas meerdere jongens tegelijk in de wc geweest. Dat had hij ook nog even gemeld. Als je een misdaad wil oplossen, heb je aan basisschoolleerlingen goede getuigen. Alles vertellen ze je.

“Ik ga wel even kijken”, zeg ik. “Werk maar rustig door, dan kan ik kijken wat er aan de hand is.” Eerst pols ik even mijn collega of het kan zijn dat er twee jongens naar de wc geweest waren en wederrechtelijk gebruik hadden gemaakt van ‘onze’ wc. Die mogelijkheid bestond. Niet een erg goed drama, maar het is handig dit even gezamenlijk aan te pakken.

Aangekomen in de bewuste wc, zie ik slechts remsporen. En geen borstel te bekennen. Van een rampzalig vervuilde ruimte met besmeurde muren is geen sprake. Met de borstel van de leerkrachten-wc en wat schoonmaakmiddel poets ik pot weer schoon. Niet veel aan de hand dus. Gelukkig maar, want de beelden van vorig jaar staan nog vers in mijn geheugen gegrift.

Terug ik klas zeg ik: “Nou, er was iemand die moest poepen’, maar er was geen borstel om de pot schoon te maken. Dat was alles. Ik begrijp dat die persoon toen ook niet wist wat hij moest doen.” Er wordt begripvol geknikt. Er gaat een vinger omhoog. “Ik poep nooit op school, dat is echt smerig”, zegt iemand. Ook hierop komen bevestigende geluiden. Ik druk een dreigende discussie meteen de kop in. Want natuurlijk grijpen ze graag elke kans op afleiding.

Ik leg nog even uit dat het probleem opgelost kan worden door van te voren wat wc-papier in de pot te leggen. Ze zijn tevreden. Juf heeft dat toch maar weer mooi opgelost. Ze storten zich weer op hun breuken en we hoeven het er niet meer over te hebben.

Vlak voor dat we naar huis gaan komt B nogmaals naar me toe. “Er is naast de pot geplast en er ligt nu een beetje plas op de grond”, zegt hij met een gezicht alsof iemand de wc onder water heeft gezet. “Tja”, zeg ik, “dat gebeurt soms. Ik zal morgen instructie geven hoe je ín de pot moet plassen.” Het is natuurlijk een grapje, maar hij knikt ernstig en neemt hier genoegen mee.

Als het bij dit soort problemen blijft, wordt dit een topjaar.

Ode aan het kleuteronderwijs.

Ik word niet zo snel echt boos om dingen. Ik weet niet of dat goed of slecht is, maar inmiddels word ik gewoon niet meer zo warm of koud van onzinnige dingen die over het onderwijs geschreven of gezegd worden. En geloof me, er wordt een hoop onzin verkondigd. Maar van deze kop in de Stentor werd ik echt boos:

‘Geen zin in billen afvegen in de kleuterklas? Bij de Pabo in Zwolle is er nu de bovenbouw-variant.’

Dit gaat over een pilot waarbij zes PABO’s een specialisatie aanbieden in de opleiding tot leerkracht basisonderwijs: onderbouw of bovenbouw. Het belangrijkste argument is dat dit misschien wel meer mannen naar de opleiding trekt. Geen inhoudelijke overweging, maar een pragmatische.

Nu kan ik van alles bedenken waarom ik die specialisatie vanaf het begin van de opleiding een slechte (of een goede) zaak vind, maar daar gaat het nu even niet om. Het gaat me om de kop en het beeld dat er is van kleuteronderwijs: billen afvegen en lekker knutselen. Echt iets voor vrouwen kennelijk. Het echte onderwijs doen we later wel.

Om te beginnen: kleuters worden geacht hun eigen billen te kunnen afvegen. Dat gaat niet altijd even goed, maar het is niet de kerntaak van de leerkracht om dat te doen. Ook wordt er inderdaad geknutseld in de kleuterklas, en gespeeld. Alleen de bedoeling van dit alles is toch echt dat kleuters leren en zich ontwikkelen. En de kleuterleerkracht speelt daarbij een cruciale rol.

Beginnende geletterdheid, beginnende gecijferdheid, vergroten van kennis van de wereld, ontwikkelen van motorische vaardigheden en ruimtelijk inzicht, het speelt allemaal een nogal belangrijke rol. Een kleuterleerkracht stimuleert tijdens het spelen, tekenen, de kring, het voorlezen en knutselen, de taal en het denkvermogen door gesprekken aan te gaan, vragen te stellen, uit te dagen en suggesties te doen, Als er bv. met thema’s wordt gewerkt, gaat het niet om de thema’s maar om het vergroten van kennis, woordenschat, maken van zinnen, vertellen, gesprekjes kunnen voeren, begrip van lettersymbolen, woorden, begrip van cijfers, hoeveelheid, etc. Allemaal zaken die zorgen dat kleuters een goede start maken op de basisschool en tevens allemaal zaken die lang niet alle kinderen vanzelfsprekend meekrijgen van thuis.

Een kleuterleerkracht begeleidt dat allemaal en moet ondertussen inschatten hoe ver elke kleuter is. En aangezien de meeste kleutergroepen bestaan uit zowel 4, 5 als 6 jarigen, is de differentiatie groter dan in welke andere groep dan ook. Bovendien stromen er gedurende het jaar voortdurend 4-jarigen in.

Ik zou nog wel even door kunnen gaan. Het punt is: een goede kleuterleerkracht is goud waard. Een goede kleuterleerkracht zijn, vraagt enorm veel vaardigheid en kennis. Van mij mag elke kleuterleerkracht een academisch werk- en denkniveau hebben. Maar zolang dat nog toekomstmuziek is, verdient het kleuteronderwijs op z’n minst een enorme maatschappelijke waardering. We hebben onze mond vol over het verkleinen van verschil in kansen. De invloed die het onderwijs daarop kan hebben, begint op het moment dat een kleuter de drempel van de school overstapt.

Kan die hele pilot z’n billen mee afvegen wat mij betreft.

Disclaimer (je weet maar nooit) : alles wat ik zeg over het belang van kleuterleerkrachten, geldt wat mij betreft voor alle leerkrachten. (inclusief het werk- en denkniveau) en wat ik zeg over het verkleinen van verschil in kansen geldt ook voor de kinderopvang en VVE.

Het jaar is klaar.

Woensdag vierden we een feestje op school. Om een beetje goed te maken dat er geen schoolreisje was dit jaar. Het kwam er op neer dat we naar de speeltuin gingen, in de klas spelletjes hebben gedaan, op een springkussen gespeeld hebben, dat soort dingen. Officieel heette de dag ‘meester- en juffendag’. Een ietwat vreemd fenomeen waarop de verjaardag van alle meesters en juffen gevierd wordt en die traditiegetrouw cadeautjes krijgen. Ik ben niet zo van de tradities.

Maar ik kreeg wel een fantastisch cadeau van mijn klas. Als ik mijn openingspraatje houd, zijn er altijd wel kinderen die na een halve zin hun vinger opsteken. Die maan ik altijd tot geduld, meestal worden de vragen dan vanzelf beantwoord. Dit keer zat Z. al snel met z’n vinger omhoog. Omdat hij dat anders nooit doet, vroeg ik wat er was.

“Nou juf, namens de klas wil ik dit aan u aanbieden om u te bedanken voor dit jaar. We hebben het erg leuk gehad.” Hij staat op en geeft mij een pakket waar een plant bovenuit steekt en nog een pakje in zit. Ik bewonder de plant en leg het pakje even opzij. In mijn onnozelheid dacht ik dat het chocola was ofzo. Protest van een stuk of wat leerlingen volgt. “U moet het wel meteen uitpakken hoor.”

Er zit een boekje in. Op elke bladzijde staat een leerling, met een foto van vroeger en nu. Ze komen om me heen staan. Ik word er stil van. Naast hun naam, geboortedatum, hobby’s etc, hebben ze allerlei vragen beantwoord.

De beste uitvinding ooit: internet, voetbal, boeken, telefoon, playstation, fiets…..

Het leukste dat wij samen gedaan hebben: dat we naar het museum gingen, dat we gingen schaatsen, zaadjes planten, videobellen tijdens het thuiszitten, naar de playground gaan……

Waar jij mij het meest mee geholpen hebt: rekenen (tig keer), als ik vragen had, kreeg ik altijd antwoord, dat ik vooraan in de klas mocht zitten toen ik een gebroken arm had, uitleg geven wanneer ik iets niet snapte, weet ik niet, om naar jou te blijven kijken als we uitleg kregen….

Dit moment zal ik nooit vergeten: dat je mij een compliment gaf, dat we samen een koprol deden, de dag dat we elkaar weer zagen op school na twee maanden….

Dit ben jij (ik dus) in drie woorden: leuk, grappig, slim, lief, oud, fanatiek, stoer, consequent, wijs, streng, blij, grappig, behulpzaam……

Als we elkaar over 20 jaar weer zien, dan ben jij: ouder maar nog wel lief, nog steeds de liefste juf, ik denk geen juf meer maar nog wel lief, heel oud, nog steeds mijn favoriete juf, 30, al 70 jaar, bijna met pensioen…..

En verder wensen ze mij: vooral een gelukkig, gezond en lang leven…….

Ik heb er niks aan toe te voegen. Dit was een topjaar met een topklas.

Vrijdag.

Nog een kleine week en dan is het zomervakantie. Aan het einde van de schooldag krijgen de leerlingen hun rapport en horen ze wie hun nieuwe juf wordt. Als ik om half acht mijn lokaal binnenkom, is het al behoorlijk warm. Ik vraag me af wat voor dag het wordt en neem me voor vooral geduldig te zijn.

De eerste kinderen komen binnensloffen. Aan één leerling vraag ik: “Hoe heb je geslapen?” Hij zucht en zegt: “Slecht.” Hij gaat zitten en kijkt mij aan met een gezicht dat boekdelen spreekt. Bij de dagstart peil ik de stemming. Er zijn er meer die slecht geslapen hebben. De warmte en het laat licht blijven zijn de boosdoeners. Er gaat een vinger omhoog. “Welke juf krijgen we volgend jaar?” “Dat hoor je vanmiddag.” Een volgende vinger: “Ga ik over?” De afgelopen weken heb ik meerdere keren gezegd dat als je blijft zitten, je dat al geweten zou hebben. Het maakt niet uit, zwart op wit willen ze het.

We gaan hoofdrekenen. Zo snel mogelijk zo veel mogelijk keersommen maken. En al is het warm en al spelen de kleuters hoorbaar buiten, ze gaan er voor.  Na afloop vraag ik wie er meer heeft dan dinsdag. Er gaan veel vingers omhoog. De en heeft er tien meer, de ander wel dertig. Ik knik goedkeurend. Een van de langzamere rekenaars steekt zijn vinger op. “Ik heb er honderdzeventig!” Een goede start van de dag.

Het eerste warmteslachtoffer valt na de eerste pauze. Hij was al binnengekomen met een lijdzame blik en had een paar keer geklaagd dat hij zich niet lekker voelde en last had van zijn oog. Omdat je bij hem niet altijd kan inschatten hoe ernstig het is, had ik gezegd dat we het maar even aan moesten zien. Tijdens het buitenspelen deed hij vrolijk mee, maar toen hij in een stoeipartij terechtkwam, was hij boos geworden en in huilen uitgebarsten. Ik troostte hem natuurlijk en zei dat hij maar even rustig binnen moest gaan zitten. Toch moeder maar gebeld om hem ophalen. Bij het weglopen heb ik nog zijn rapport in z’n tas gestopt en hem het beste gewenst.

Het tweede slachtoffer stond ook al huilerig voor mijn neus. Ze kon niet precies zeggen wat er was ‘maar ze voelde zich niet lekker’.  Naar huis wilde ze niet “Want ik wil m’n rapport hebben vanmiddag.” Na een uurtje bij een collega in een leeg (en koeler) lokaal gezeten te hebben, kon ze er weer tegenaan.

We deden topo. Zeker drie kwartier lang waren ze bezig om de atlas uit te pluizen. Het ging er gemoedelijk aan toe, maar erg veel tempo zat er niet meer in. Dus maar even bingo gespeeld. Wat een opleving betekende. Fanatiek klonk het “jaaa” of teleurgesteld “Neee” als een getal wel of niet op de kaart stond. De eerste bingo was vals en dus moest er een dansje gedaan worden. Daarna lette ze beter op.

In de tweede pauze sloeg de hitte en de vermoeidheid genadeloos toe. Er werd gekibbeld buiten. Ruzie over een al dan niet gemaakt doelpunt. Ruzie over wie er aan de beurt was met elastiekspringen. En dan natuurlijk komen klagen bij mij. Ik probeerde diplomatiek te zijn en te bemiddelen, maar het hielp maar half. Boze blikken, rode hoofden. “Dan gaan we maar naar binnen” zei ik. Nou dat was ook weer niet de bedoeling. Dus we rekken het nog even.

En toen kwam eindelijk het moment: de rapporten. Ik had hun volledige aandacht. Vertelde kort hoe het ‘Corona-rapport’ eruitzag, en dat vooral mijn verhaaltje belangrijk was. “Want daar staat of je naar groep 7 gaat.” Wat volgde waren opgewonden stemmen en heuse vreugdekreten van enkele volhardende twijfelaars die het nu óók zeker wisten.

“En dan jullie nieuwe juf”, zei ik. “Jullie nieuwe juf is een meester.” Gejuich barst los onder een groepje jongens. Ik kijk ze quasi verontwaardigd aan: “Waren juf J. en ik dan zo erg?” “Nee, nee,zo bedoelen we het niet hoor.” En dan komen de vragen. “Hoe ziet hij er uit?, hoe oud is hij?, is hij aardig?”  Dan vraagt er een: “Welke groep krijgt u?” “Ik ga naar de andere groep 7.” Nou dat vinden ze maar vreemd.

De dag sluit af in opperbeste stemming. Het rapport is binnen, het jaar zo goed als af. Alle vermoeidheid lijkt te zijn verdwenen. Het is weekend. Het is bijna vakantie.  

Chocola.

Ik had chocola op mijn bureau liggen. Van een jarige leerling, voor de leerkrachten. Nu ‘de klassen rond’ niet mag, in verband met Corona. is de bedoeling is dat je het in de teamkamer legt en dat leerkrachten dan op een kaart de jarige kunnen feliciteren. Ik laat altijd van alles liggen op mijn bureau en heb er alle vertrouwen in alles blijft liggen. En eerlijk gezegd, het is me in tweeëntwintig jaar niet gebeurd dat er iets verdwenen is.

Maar nu dus wel. In de pauze, op het plein komt een leerling naar me toe. “X heeft de chocolade opengemaakt en opgegeten.” Nu denk ik altijd van alles bij klikken, maar tienjarigen zijn nu eenmaal enorm moralistisch. Hun rechtvaardigheidsgevoel is groot. Handig om te weten was het echter wel. Voor het naar binnenlopen vraag ik de dader: “Heb jij mij nog iets te vertellen?” Een ontkennend antwoord volgt inclusief een onschuldige blik. Terug in de klas zie ik het geopende pak liggen op tafel. Met een ernstig gezicht sta ik voor de klas. De kinderen reageren meteen. Ze zien, ze voelen, dat er iets héél ergs aan de hand is, en bovendien weten sommigen natuurlijk allang wat er gebeurd is. Dus ik steek van wal. Dat ik teleurgesteld ben, dat ik geschokt ben, dat ik het niet verwacht had. Het is muisstil. Ergens denk ik nog bij mezelf: “Zet je het nu niet wat erg aan?” Ik zeg dat ik hoop dat de dader zich meldt, dat mensen fouten maken maar dat je dat ook weer goed kan maken. Ik zeg ook dat ik hoop dat de dader zich schuldig voelt, dat dat een teken is van een goed geweten. De klas knikt instemmend. Ze snappen het, ze vinden het ook heel erg, ze vinden het volkomen terecht dat ik er zo’n punt van maak.

In het uur dat volgt is er veel contact tussen drie leerlingen. Een van hen zou namelijk tegen de dader gezegd hebben: “Pak de chocola”, maar dit word heftig ontkent. Er worden woorden en boze blikken gewisseld.. Natuurlijk niet hardop. Ik doe alsof mijn neus bloedt. Vlak voordat we weer naar buiten gaan zeg ik tegen de klas: “Ik ben natuurlijk niet doof, niet blind en helemaal niet dom, dus ik weet allang wie die chocola gepakt heeft. En ik ga er wat aan doen. Maar er is wel genoeg gedoe over geweest dus we houden er nu verder over op.” Ook nu wordt er instemmend geknikt. Voor sommigen is het alweer een gepasseerd station. Als iemand z’n vinger opsteekt en ik verwacht dat er nog een mening op het geval komt, zegt hij: “Van chocola word je erg moe.” Altijd leuk om te merken dat waar een thema ook vandaan komt, het ook wel weer een geestig weetje oplevert. Het ontspant ook, voor iedereen die helemaal niks met de zaak te maken heeft.

We gaan naar buiten. Met de dader loop ik als laatste het lokaal uit. “Ik weet natuurlijk dat jij dat gedaan hebt.” Er komen tranen. Het klopt. “En ik wilde het zo graag tegen u zeggen, maar X zei dat en nu zegt ze dat ze dat niet gezegd heeft.” Het verdriet is oprecht. Dus ik vraag of het er toe doet dat iemand anders haar opgejut heeft. “Als jij in een winkel staat en iemand zegt: “Pik dat”, doe je het dan?” Nee, natuurlijk doet ze dat niet. “Maar dit is hetzelfde.” Het verdriet wordt nog veel groter. Voor mijn neus stort een klein meisje in dat een domme fout heeft gemaakt en niet weet hoe ze het goed moet maken. Dus ik rond het af met haar. Zeg dat iedereen wel eens fouten maakt, dat ik hoop dat ze er wat van geleerd heeft en vraag hoe ze denkt dat ze het goed kan maken. Ze zal nieuwe chocola meenemen. Ze gaat haar neus snuiten en wat mij betreft is daarmee de kous af.

Buiten spreek ik nog even met de ‘ophitser’. Ze ontkent in alle toonaarden. Ik weet bijna zeker dat ze dat wel gezegd heeft. Dus ik zeg: “Of je het nu wel of niet gezegd hebt, ik vind ophitsen eigenlijk net zo erg. Zorgen dat iemand iets verkeerds doet en er dan zelf buiten blijven. Het is eigenlijk laf en gemeen.” Ze kijkt me aan. Wil zich al gaan verdedigen, maar doet het niet. Ze kijkt me alleen maar aan. En ik kijk terug. Ik krijg alleen “oké” als antwoord.

En daarmee is voor nu de zaak gesloten.

Monsters.

Op donderdag ben ik de invaljuf voor groep 4. Wie mij vijf jaar geleden gevraagd had of ik mijzelf dat zou zien doen, zou als antwoord gekregen hebben: “Nee”. En nog steeds is het wennen. Pre-corona was ik er net een beetje ingekomen, post-corona is dat wennen weer opnieuw begonnen. De zelfstandigheid en ‘wetendheid’ van groep 6 is enorm, vergeleken bij dit grut.

Ook hun geest maakt wonderlijke bochten. Vandaag meldde een van de grootste doerakken van de klas al dat hij bang was voor een of ander monster. Hij trok er een heus griezelig gezicht bij. Ik besteedde er niet veel aandacht aan, luisterde half en knikte begripvol. Maar bij het buitenspelen rende er opeens twee meisjes naar me toe. Overtuigend overstuur. “Juf, we zijn echt bang”. Ze kropen dicht tegen me aan en de tranen stroomden rijkelijk. Daar ga je dan met je anderhalvemeterregel. “Er zit een monster in de put, en hij zit overal, en hij heeft een oog.” Hun hoofdjes duwde ze nog maar eens steviger tegen me aan. Ik onderdrukte mijn eerste impuls om te gaan lachen en zei in plaats daarvan: “Nou, daar zullen we even wat aan doen dan.” Ze sleepten me mee naar een put en wezen in de diepte. “Daar, daar!” En griezelend maar toch ook gefascineerd bleven ze achter me staan. Ik riep er een collega bij om te overleggen hoe we dat monster weg konden krijgen. Gezamenlijk voerden we een ritueel uit. En binnen no-time was het monster van het schoolplein verbannen. Helemaal naar andere kant van de straat.

De meisjes waren opgelucht, maar toch nog niet helemaal. “Mag ik in de klas bij u zitten?”, zei de bangste van de twee, “want hij zit misschien ook in school.” Dat mocht natuurlijk. De ander was toch duidelijk minder aangeslagen en was alweer met iets anders bezig.

We gingen taal doen en ik vertelde een sprookje. ‘De nieuwe kleren van de keizer’. Dat staat ook in stripvorm in het boek, maar ik vind mijn versie leuker. Met open monden luisterden ze. En oh, wat prachtig toen de keizer in z’n blootje door de straten liep. “Maar hij heeft nog wel z’n onderbroek aan”, meldde er eentje. En inderdaad, in het boek stond hij met z’n onderbroek aan. “In het echt niet hoor”, zei ik, “In het echte sprookje is hij helemaal bloot.” Dat vonden ze inderdaad wel logisch en vooral veel grappiger. De monsters waren naar de achtergrond verdrongen.

Vlak voor de tweede pauze kwam de grootste bangerd naar me toe. “H. heeft het allemaal verzonnen, het was nep dat monster.” Even speelde ik met de gedachte om dit tegen te spreken, dat heb ik wijselijk niet gedaan. Ik knikte alleen maar. Het leed was definitief geleden.

Buiten speelde de zon en de schaduw in de ramen van de huizen. Daar kan je vreemde dingen in zien als je wilt. En dat deden ze dan ook. Een beetje gruwelend, maar toch vooral lachend. Op de grens van magisch denken, maar toch nog niet helemaal.

Bijna compleet

“Goedemorgen juf”. De eerste leerling die zich aandient vanmorgen, is een kwartier te vroeg. Ze begint met verontschuldigingen hierover. Iets met haar broer, en dat deze altijd veel vroeger moet beginnen. Ik wuif het weg. Het is niet erg. Ik heb haar twaalf weken niet gezien, dus ik begin een praatje. Het gaat goed met haar. Omdat er eigenlijk niks niet goed is, gaat het dus goed. Ik was bijna vergeten hoe welbespraakt ze is. Ze gaat naar haar plek, pakt een leesboek waar ze maanden geleden in begonnen is, en gaat lezen. Een mooi voorbeeld voor de anderen die enige tijd later binnendruppelen. Ook ik zit met m’n neus in een boek dat ik van plan ben te gaan voorlezen.

Op maandag moet ik studeren van mijn baas, dus vandaag is de eerste dag dat ik mijn hele klas tegelijk voor mijn neus zie. Op één na. Mijn collega had al gemeld dat ze gisteren ‘tevreden waren met de nieuwe tafelgroepjes’ maar ook dat ze ‘erg veel energie hadden’. Dat laatste betekent dat ze dus gewoon druk waren. Heel begrijpelijk, dus ik maak me er niet echt druk om. Het wordt een wat chaotische dag vandaag, maar dat weet ik op dat moment niet.

Het begint rustig. We praten wat. Ik vraag hoe het was gisteren, hoe de groepjes bevallen en of ze zich nog zorgen maken ergens over. Ze vinden het fijn om weer bij elkaar te zijn. “Maar wel drukker juf”. “Tja”, zeg ik. “Daar zijn jullie zelf bij. Tenslotte zijn jullie bijna groep 7”. Ze knikken. Bij de vraag of ik zal vertellen hoe de rest van het schooljaar verloopt, worden ze enthousiast. Ik teken het ze voor op het bord: nog vier weken met in de laatste week én een feestdag (om het schoolreisje en beetje goed te maken) én een opruim/ speelgoeddag. Dan komen de vragen los. “Waar zouden we naar toe zijn gegaan als we schoolreisje hadden gehad? Komt er ook een springkussen? Mogen we telefoons mee op speelgoeddag? Wanneer weten we of we over gaan naar groep 7?”. Kinderen maken zich zorgen om de fundamentele dingen van het leven.

We gaan rekenen. Breuken aftrekken. Het gaat lekker. Ze schrijven met me mee, ze doen het zelf, ik controleer en ze gaan aan de slag. Na rekenen moeten we naar de schoolfotograaf. Precies op het moment dat ik nog even het gedragsfilmpje ‘lopen op de trap’ heb laten zien en besproken, als we helemaal klaar zijn om braaf naar beneden te lopen, komt mijn collega melden dat het allemaal wat uitloopt. We moeten een half uur wachten. Mijn klas is flexibel. “Als we maar wel buiten gaan spelen”. Eerst nog even nu een oefening, dan de fotograaf en dan buitenspelen, beslis ik. Ze vinden het prima. Maar als ik een half uur later bij de fotograaf sta, blijkt de klas voor ons nog volop bezig te zijn. Ik dirigeer mijn klas via de trap weer naar boven, jas aantrekken en weer naar beneden om buiten te spelen. Ze doen het snel en zonder veel poespas. We hebben het schoolplein opgesplitst en wij spelen vandaag op het terreintje naast de school. Dus gaan ze ‘allemaal samen’ tikkertje spelen. Als we tien minuten buiten zijn, komt de fotograaf melden dat we aan de beurt zijn. Dus, hup weer naar binnen. Foto’s maken (neemt ook weer een half uur in beslag) en daarna (weer die trap!) naar boven. “Ook nog even allemaal handen wassen” zeg ik terug in het lokaal.

Ik schat in hoeveel tijd we nog hebben voor we naar gym moeten en vraag me af hoe ik er nog wat lesstof in krijg. Halverwege het handenwassen, zie ik een enorme bende ontstaan. De zeep is op, de handdoekjes zijn achteloos óp de prullenbak gegooid etc. Dus daar ga ik weer: doe voor hoe je ook zonder herrie een handdoekje uit het apparaat trekt, dat één echt wel genoeg is en hoe je die dan netjes in de bak gooit. En mijn klas, mijn klas voegt zich naar mijn gedril. Alsof ze het prettig vinden. Ze gaan zitten, nemen hun dicteeschrift voor zich, morren niet en doen gewoon goed mee. Óók met de bespreking: ze rammelen de categorieën er uit alsof alles weer is zoals het altijd was.

En zo gaat dat door. We eten weer, we gaan naar gym, we doen de schoenen uit, en weer aan, we lopen naar het lokaal. Ze blijven als een stel opgewekte kuikens doen wat ik vraag. Het laatste uurtje nog een korte instructie en zelfstandig werk afmaken. het is driekwartier rustig. Daarna bedenkt er één dat het een goed idee is om z’n laatje op te ruimen en opeens zijn ze állemaal aan het opruimen. De puinhoop op sommige tafels is zowel vermakelijk als ontmoedigend. Maar ik mompel tegen mezelf: “komt goed, komt goed”. En natuurlijk komt het goed.

Ze zijn er weer. En ze weten weer hoe het gaat met z’n allen. En dat ik ook echt wel heel veel complimentjes geef. En ze lijken het allemaal fijn te vinden. Want, zoals een leerling bij de afsluiting zegt: “het is toch weer fijn om naar school te gaan, daar krijg je betere instructie”.

Wat heb ik dit gemist. Halve klassen mogen dan lekker rustig lijken, boven de dynamiek van een hele, gaat toch helemaal niets.

Terug naar school.

Ik begon deze week niet buitengewoon optimistisch, maar ik sluit hem met een goed humeur af. Toen het bericht kwam dat de scholen weer open gingen, vond ik dat uiteraard fijn. Een begin van een weg naar ‘normaal’. Tijdens de meivakantie, toen ik er wat langer over na kon denken, kwamen ook de twijfels. Wat als blijkt dat de veronderstelling dat kinderen geen grote verspreiders zijn, niet klopt? Wat als één van mijn collega’s toch echt ziek wordt? En zeker toen met het een klein beetje versoepelen van de maatregelen, plotseling een grote groep mensen dacht dat het allemaal voorbij was en het zich houden aan de regels minder werd, namen bij mij de twijfels toe. Zo begon ik dus de week. Met een onbestemd gevoel van ongerustheid. Terwijl ik toch niet de aard heb om mij snel zorgen te maken.

Maar we gaan weer naar school. Dat wil zeggen, klassen komen gehalveerd en om de dag naar school. Maandag na de meivakantie hadden wij een studiedag, dus de kinderen kwamen vanaf dinsdag. De eerste dag, de eerste groep, kijkt nog een beetje verdwaasd uit haar ogen. Tafels twee-aan-twee maar met een lege tafel naast ieder kind. Ook ik voel me enigszins vreemd. Alles lijkt normaal, maar toch niet helemaal. Het duurde een uurtje voordat ze loskomen. En verder willen ze gewoon aan het werk. Langzaamaan komen de verhalen over hoe het thuis ging en hoe ze het nu weer vinden. Ze hebben weinig zorgen, ze zijn blij dat ze weer naar school mogen. Een enkeling geeft aan z’n ouders wel even zat te zijn. Echt dramatisch lijkt het allemaal niet geweest te zijn. Pas om een uur of één voelen ze zich weer helemaal vrij genoeg om zich ook af en toe te misdragen. Dan kletsen ze gewoon nog even door als ik verder wil.

Op woensdag, als de tweede groep voor het eerst komt, hetzelfde beeld. Het duurt even, maar dan hebben ze hun plek weer gevonden. Ze kunnen weer lachen om mijn grapjes en ze halen vrolijk herinneringen op aan de thuisblijfperiode. Ook hier is het overwegende gevoel: lekker aan het werk gaan. Wel lijkt het alsof beide groepen heel veel vergeten zijn. De spellingtoets maken ze duidelijk slechter dan ik gewend ben. Als ik het over sommen splitsen heb, kijken ze me aan alsof ik Chinees spreek.

Zich aan de Corona-regels houden vinden ze geen probleem. Ze doen het eigenlijk uit zichzelf. Alleen 1,5 meter afstand houden tot mij lukt regelmatig niet. Het maakt mij niet uit. Ik maak me niet buitengewoon veel zorgen als het om de kinderen gaat. En eerlijk gezegd, ik had ook niet verwacht dat afstand houden zou lukken. Met collega’s heb ik wel het gevoel dat we echt een beetje afstand moeten houden. Juist omdat er steeds meer onderlinge contacten zijn. Maar al doet iedereen z’n best, ook dat is soms lastig.

Op donderdag sta ik voor groep 4. Voor deze groep heb ik drie keer gestaan en dat is al heel wat weken geleden. Dat maakt de kinderen niet uit. Ze kennen me, en dat is genoeg. Voor hen is dit de tweede dag op school en ze gedragen zich net zoals ze dat altijd al deden: lief, braaf, tikje uitdagend, etc. Alsof er niets gebeurd is. We werken, we kletsen en we maken grapjes. Aan het eind van de dag krijg ik maar liefst drie tekeningen van kinderen die blij zijn dat ze weer op school zijn en mij te zien.

En vandaag, vandaag was een topdag. Mijn eigen groep doet weer waar ze goed in is. Al zijn ze dan met de helft. Als ik tijdens rekenen zeg: “Nou ik hoef geen rekendictee te doen, want jullie snappen het”, krijg ik protest. Ze willen wél rekendictee. “En wel tot 100.000 hè juf”. Één leerling confronteert mij nog even met “Wat hebt u met 300?” Ik kijk naar de getallen die ik opgeschreven heb, en inderdaad. Tijdens spelling, waar ze me woensdag een hartverzakking bezorgden door niks meer lijken te weten, gaan ze compleet los op een nieuwe spellingcategorie. Ze juichen als het dictee uit ‘maar’ zeven woorden bestaat in plaats van vijf en een zin. Bijna allemaal hebben ze alle woorden goed. Ze lachen als ik een raar zinnetje maak met woorden met een y. Of als mijn collega aan de andere kant van de etage in zingen uitbarst en ik daar een opmerking over maak. Ze vragen heel voorzichtig of het raam dicht mag, omdat de kleuters zo veel herrie maken. En natuurlijk is er soms ook de confrontatie met de werkelijkheid. Als we ’s middags nog even naar buiten gaan, komt een meisje op me afgerend, lachend en haar armen gespreid. Duidelijk met de bedoeling om mij te omhelzen. Maar dat kan dus niet. De teleurstelling op haar gezicht komt even aan. Dan vraagt ze: “Juf, kunt u een handstand?” Wat ik natuurlijk kan en het daarmee een klein beetje goedmaak. We vinden de afstandsknuffel uit. Maar bij het uitgaan zegt ze dat ze toch liever een echte heeft.

Na de eerste dag vonden de kinderen het ‘fijn maar ook raar’om weer op school te zijn. Vandaag vonden het ze unaniem ‘leuk!’ We hebben hard gewerkt, we hebben ontspannen gewerkt, we hebben lekker gebabbeld en we hebben gelachen.

Mijn ongerustheid over de opgelopen achterstand is een beetje verdwenen. Dat komt wel weer goed. Maar de schijn van normaal neemt niet helemaal mijn algemene ongerustheid weg. Ik wil geen ‘tweede golf’. Ik wil niet dat we nogmaals dicht moeten en ik wil al helemaal niet dat, doordat ik weer meer contact heb met mensen, ik mensen in mijn omgeving in gevaar breng. Ik wil weer ‘normaal’, net als iedereen. Maar als nog even gaat zoals nu en niet erger wordt, neem ik daar genoegen mee.