H. steekt zijn vinger op. Ik wil met het dictee beginnen, dus ik vraag hem: “Gaat je vraag over het dictee?” Hij denkt kort na en zegt dan: “Misschien.” H. wil vaak nog even iets zeggen, vragen of zijn mening ergens over geven. Regelmatig gaat het totaal ergens anders over dan waar we op dat moment mee bezig zijn. Sowieso wil hij veel aandacht van mij én van zijn klasgenoten. En die krijgt hij. Of niet. Ik balanceer altijd tussen wanneer wel en wanneer niet.
Nu dus niet. We gaan dictee doen en ik negeer -dit keer- het niet al te nadrukkelijke ‘ja, maar’.
H. is mijn achilleshiel. Hij is slim en heeft donders goed door dat hij als hij echt doorzet, ik hem niet kan negeren. Hij confronteert me met mijn eigen pedagogische falen en dan plak ik hem het liefst achter het behang. De sport voor hem is om aandacht te krijgen, voor mij om die alleen op de juiste momenten te geven. Maar uiteindelijk is hij nog maar tien. Dus ik doe mijn stinkende best om het te reguleren. Met wisselend succes overigens. Soms wordt hij ‘boos’ als ik niet op hem reageer en op een ander wel. Vreselijk onrechtvaardig vindt hij dat. “Je bent niet de enige in de klas”, zeg ik dan. Op het ene moment legt hij zich daar bij neer, op het andere moment gaat hij er op door. Soms door gewoon door te ‘ja maren’, soms door boos zijn hoofd op z’n armen te leggen, soms door zachtjes door te blijven sputteren. Vaak negeer ik dat, maar soms ben ik het zat en zeg dat hij gewoon op moet houden. Inmiddels zijn we op een punt dat hij meestal eieren voor z’n geld kiest en ik dat ik ervoor zorg dat er geen conflict ontstaat.
We hebben al stappen gezet. Hij steekt inmiddels zijn vinger op. En als hij boos wordt, laat hij dat alleen nog maar merken door heel boos te kijken. En ik reageer steeds vaker alleen als ik iets positiefs te melden heb.
En toen had hij zijn rekentoets niet goed gemaakt. Met een gezicht als een oorwurm zit hij op z’n plek. Aan het eind van mijn rondje door de klas om vragen te beantwoorden, ga ik bij hem zitten en vraag of hij niet blij is met z’n toets. Hij knikt alleen. “Heb je een idee hoe dat komt?”, vraag ik. Hij haalt z’n schouders op.
Dus ik heb het over meedoen met de instructie, berekeningen opschrijven, bij het nakijken ook echt kijken wat er fout ging, niet snel werken maar goed werken. Hij antwoord alleen maar met: “Ja” en knikt daar overtuigend bij. Het is kwart voor twee en hij wil schaken en dus van mij af. Ik moet er bijna om lachen. “En je bent eigenwijs”, zeg ik vriendelijk, “Dat is op zichzelf geen slechte eigenschap, maar soms wel onhandig.” Ook nu knikt hij.
’s Middags krijg ik een berichtje van zijn moeder dat hij thuis gekomen was met de teleurstelling over zijn toets en hoe ze hem kon helpen. Ik reageer uitgebreid. Hoe de toets is opgebouwd en op welke onderdelen hij de stof nog niet beheerst. Maar ook schrijf ik mijn andere bedenkingen erbij. Het is altijd afwachten hoe ouders reageren. De coronamaatregelen ontnemen ouders en ons de kans om even op het schoolplein dingen uit te wisselen en soms leidt dat tot ongenuanceerde antwoorden. En dan druk ik me zachtjes uit.
Maar het antwoord is duidelijk en kort. ‘Dank je voor het uitgebreide antwoord. We zullen dit met hem bespreken.’
H. en ik komen er wel uit, vroeg of laat. En al heb ik mijn collega wel eens voorgesteld om hem te ruilen, ik ben toch wel aan hem gehecht. Ik denk dat ik mezelf herken.
