Lief

Sinds ze weet dat mijn collega van wie ze ondersteuning krijgt binnenkort jarig is, is Kyra er mee bezig. Aan mij vraagt ze een groot gekleurd papier om een kaart te maken. Daar schrijft ze alle namen van de klas en van de leerkrachten op. Ook vraagt ze al haar klasgenoten om een compliment te schrijven aan de betreffende collega. Die stopt ze vervolgens in een door haarzelf versierde pot. Ook de leerkrachten vraagt ze een compliment te schrijven. De pot staat twee weken lang min of meer verstopt achter mijn bureau.

In de dagen voor de verjaardag, neemt de spanning toe. De laatste complimenten worden nog verzameld en er worden nog wat extra dingetjes geregeld. Ze loopt af en aan naar collega’s om ze te manen toch echt hun opdracht in te leveren.

Kyra vindt het normaal gesproken lastig om stil te zitten. Aan instructie heeft ze een hekel, liever gaat ze haar eigen gang. Zelfstandig werken kan ze als de beste, maar ze heeft nogal eens moeite met de stof. Individuele hulp wil ze dan weer wel. Soms komt ze nogal ongenuanceerd uit de hoek. Dan corrigeert ze een klasgenoot (of mij) met een verbolgen stem. Als ik haar daar op aanspreek, draait ze meestal als een blad om de boom om. Op sommige momenten is ze aandoenlijk aanhankelijk op andere momenten is ze onmogelijk maar wat ze altijd doet is dat ze dingen zo goed mogelijk probeert te doen.

Maar met deze verrassing laat ze zien waar ze nu al echt goed in is: ze heeft iets bedacht, ze organiseert dat een paar andere meisjes een deel van het werk uitvoeren, ze krijgt mij zover dat ik het faciliteer en ze maakt er iets moois van.

Ik stuur een compliment hierover naar huis. De volgende dag vertelt ze dat ze dat gelezen heeft. En als ik vraag wat ze daarvan vond, krijg ik een glimlach waar ik verder ook weer minstens een dag gelukkig van kan zijn.

Op de avond van het kerstdiner is het dan eindelijk zover. De betreffende collega is heel druk met het verzorgen van het eten, dus weer moet ze geduld hebben. Elke drie minuten vraagt ze of het al kan, er wordt geheim overleg gepleegd in de toilet, er wordt zenuwachtig heen en weer gedrenteld. Eindelijk is het dan zover. De jarige komt naar de klas! Natuurlijk weet ze allang dat er iets speelt want inmiddels heeft ze ook al een versierd telefoonhoesje gekregen. Ze mag nog even niet kijken. De meisjes nemen positie in met een ballon, kaart en wenspot. Dan mag ze zich omdraaien en wordt ze door de hele klas toegezongen. Ze is er uiteraard enorm blij mee en toch ook wel een beetje verrast. Kyra kijkt met grote ogen toe en let op haar reactie. Ze opeens een heel klein meisje.

Voor haar is het kerstdiner geslaagd.

Gozert

Ik lees Gozert voor. Een prachtig boek dat meer dan terecht de Gouden griffel heeft gewonnen. Het heeft alles in zich om een mooi boek te zijn: grappig, fantasierijk, vol herkenbare problemen en uiteindelijk ook heel spannend. De hoofdpersoon Ties beleeft fantastische avonturen met Gozert. Maar men zegt dat die alleen maar in zijn hoofd zit.

Hoewel de start erg grappig is, duurde het even voor ze in het verhaal zaten. Toch hadden ze al snel één belangrijk mechanisme door: als Gozert in de buurt is, is de wereld mooier, spannender en grappiger.

Inmiddels is het boek op een haar na uit. Ties heeft, na een lange strijd met zichzelf, bijna helemaal afscheid genomen van zijn onzichtbare vriend. Maar net als dat aan de orde is keert Gozert terug om hulp in te roepen voor Luna, een meisje dat Ties z’n hart heeft gestolen maar niet veel van hem moet hebben.

De afgelopen anderhalve week loopt de spanning op. Meestal lees ik voor na het buitenspelen, zo komt de rust weer een beetje terug. Het enige dat toegestaan is heel stil tekenen. De eerste minuten is er nog wat gerommel -dat ik ernstig probeer te negeren- maar dan daalt er een zeer aangename rust over de klas. Oh, en ze zijn scherp hoor! Als ik in een zin een stilte laat vallen, vullen ze me aan. Als ik een korte vraag stel, geven ze antwoord. Als ik de prachtige illustraties laat zien, willen ze dat allemaal zien. En als ik vraag of ze nog een hoofdstukje zullen doen, is het antwoord altijd ja. Ze hebben hem getekend, ze hebben nagedacht over hoe het verder zou gaan, ze verheugen zich op het volgende voorleeskwartiertje, ze herkennen zich in Ties, ze vinden het prachtig.

Vandaag kwam ik bijna aan het einde van het boek. Morgen de rest, zei ik. Zachtjes kwamen er teleurgestelde tegenwerpingen. Maar ook het dringende verzoek om hierna het volgende deel te gaan lezen.

En niet alleen voor de kinderen is het een genot. Ook voor mij. Toen ik het boek een paar maanden geleden las, vond ik het al goed. Nu ik het voorlees komen de personages echt tot leven en merk ik hoe goed het in elkaar zit. Ook ik leef me steeds meer in. Die 15-20 minuten dat ik voorlees zijn inmiddels ook voor mij een hoogtepunt. Gedurende de schooldag is het toch al zo dat de buitenwereld een stukje verderop is, maar tijdens het voorlezen bestaat er letterlijk niets anders meer dan mijn klas, het boek en ik. Niks en niemand komt daar tussen. Al het grote-mensen-leed waar ik me wel mee wil bemoeien maar uiteindelijk ook weer niet, verdwijnt achter een vreedzame horizon.

Met Gozert is de wereld mooier. En dat hebben we hard nodig.

Zulke boeken.

Haaientanden

Het klinkt natuurlijk weinig professioneel om te zeggen dat je in het basisonderwijs wilt werken, omdat je dan kunt voorlezen. En toch is het één van mijn -niet uitgesproken- overwegingen geweest. Ik houd enorm van lezen én van voorlezen. Voorlezen staat dus dagelijks op het programma. Liever laat ik bij tijdgebrek een spellingles vallen dan voorlezen. Er zullen vast diehards zijn die dit niet vinden kunnen, maar dat kan mij geen moer schelen. Liefde voor boeken, voor verhalen, is mij toch net even dierbaarder dan correct spellen.

Dus op de eerste schooldag begon ik in ‘Haaientanden’ van Anna Woltz. Een niet te dik boek om deze schrijfster te promoten en om er even in te komen. Op maandag moest mijn klas er ook nog even inkomen. Niet alleen in het boek, maar ook in de routine. Bovendien was het de eerste schooldag, dus sowieso waren de routines nog even wennen. Ik vroeg wat voor gedachten ze hadden bij de titel. Na wat makkelijke antwoorden zei één leerling: “Ik denk dat het over pijn gaat, want haaientanden zijn scherp.”

“We zullen zien”, antwoordde ik. Op dinsdag wist niemand meer hoe de hoofdpersoon heette, of haar protagonist. Maar na enkele vragen en na het verhaal weer een beetje opgehaald te hebben, ging ik opgewekt verder. Een paar keer vroeg er iets over. Hier en daar begon er begrip over het verhaal te ontstaan.

Op woensdag kwam de klik. Leerlingen mogen heel stil tekenen tijdens het voorlezen. Maar in de loop van het verhaal kwamen potloden stil te liggen, keken steeds meer leerlingen mij aan en werd het doodstil.

Vooraf had ik verteld dat het soms even duurt voordat je in een boek zit, maar als je er dan in zit, dat ongeveer de mooiste ervaring is die je kan hebben. Haaientanden gaat over een meisje dat een lange fietstocht onderneemt om te ontsnappen aan de spanning thuis met haar zieke moeder en het schuldgevoel dat ze heeft bij haar eigen schijnbaar onverschillige gedrag. Haar tegenspeler is boos -of eigenlijk verdrietig- , omdat zijn moeder gezegd heeft dat ze spijt van hem heeft. En hoewel ze nog niet helemaal precies weten hoe het zit, voelen mijn leerlingen de spanning en de innerlijke conflicten kennelijk goed aan.

Na 17 minuten stopte ik met lezen aan het einde van een hoofdstuk. “Wilt u alstublieft nog even verder lezen?” vroeg een leerling en hij kreeg bijval. Heel zachtjes, omdat ze het écht heel graag wilde. Dus ik las nog een hoofdstuk. Toen dat ook klaar was, hoorde ik: “Het is echt spannend.”

Ze weten nog niet dat die moeder ziek is, dat de hoofdpersoon gek wordt van het wachten op een uitslag, dat ze ondertussen verliefd wordt op haar tegenspeler en dat het allemaal goed komt. Maar ik weet bijna zeker dat als ik morgen voor ga lezen, dat ze er klaar voor gaan zitten. En dat ze het kwartiertje dat ik ervoor gereserveerd heb te kort zullen vinden.

Dit wordt een goed schooljaar, ik weet het zeker.

Kroonjaar

Dit was het schooljaar van de scherpe herinneringen. Zo weet ik nog precies waar ik was toen ik hoorde dat we voor de tweede keer in lockdown zouden gaan. Ik stond boven aan de trap in ons schoolgebouw. Het kwam als een donderslag bij heldere hemel. Ondanks dat ik dit schooljaar optimistisch was begonnen, hing Corona het hele jaar als een donker wolk boven me. Nou ja, het hele jaar, alles went op den duur dus op een gegeven moment werd het meer een soort vage mist. Maar toch,het was er altijd. Bij het openen van de briefing, bij het niesen van een leerling in de klas, bij de dagelijkse zelfcheck op C-gerelateerde klachten.

Bij mij kwam er een ommekeer met de komst van de zelftesten. Heel eerlijk gezegd: ik heb op één zondagavond overwogen om hem te gebruiken maar een of ander bizar psychologisch fenomeen heeft me er van weerhouden. Of eigenlijk was het Arjen Lubach.

Vanaf dat moment werden vooral allemaal leuke dingen scherper. Niet dat ze er daarvoor niet waren, maar het was alsof de lens even anders scherp gesteld werd. Ook met terugwerkende kracht gelukkig.

Zo zie ik nog de verwachtingsvolle blik van de kinderen in de plusklas voor me bij de eerste les, of die van de kleuters toen ik gymles gaf. Zo weet ik nog wat ik dacht en voelde toen notabene Syra een spreekbeurt hield over Martin Luther King. Ik was trots, ik vond haar stoer. Ik weet nog dat ik moest lachen toen mijn klas juichte toen Biden president werd. Dikke neus naar linkse indoctrinatie, ik had er echt niks mee te maken. Ik herinner me hoe ik elke ochtend benieuwd was wie er als eerste het lokaal in zou stormen terwijl dat eigenlijk geen verrassing was: óf Minke, óf Dunya en meestal kwamen ze tegelijkertijd. Elke keer als er ergens op straat of op het schoolplein opeens een kinderstemmetje roept: “Dahag, juf Jessicaaaa”, moet ik breed lachen, zelfs als ik geen idee heb wie de roeper is. Ik herinner me de blik van mijn Famke toen ik de wc openrukte en zij met de broek op de knieën mij verbijsterd aankeek. En zo kan ik nog even doorgaan: Pieter die mij een vlammetje gaf, alle bijdehante opmerkingen en grapjes van mijn klas, de gesprekjes tijdens het naar gym lopen, Joël die je overal kon tegenkomen behalve in de klas. En:

Dat mijn directrice mij er aan herinnerde waarom ik ook alweer voor het basisonderwijs gekozen had.

Ik had een dip. Een behoorlijk diepe. Iets met lerarentekort, plofklassen en het gevoel dat ‘buiten’ iedereen wel roept dat het allemaal zo erg is, maar dat het toch vooral het onderwijs zelf is dat de klappen opvangt. En door dat opvangen, wordt het ‘buiten’ nooit echt duidelijk hoe erg het is.

En daar word ik boos om. En toch, omdat wat ik doe er erg toe doet en omdat er zo oneindig veel leuke gebeurtenissen zijn, blijf ik gewoon doen wat ik doe. Met Theo Thijssen in gedachten: laten we gewoon gelukkig zijn en de rest mensen, is allemaal onzin.

Want anders red ik het niet.

Vlammetje

Ik leerde P kennen in groep 6. Ik had hem in het midden van de klas neergezet naast het meisje waar hij het best mee kon vinden, precies zoals zijn leerkracht van groep 5 had aangeraden. Wat hij het liefst wilde, was lezen. Rekenen was niet aan hem besteed. Als ik hem tot werken probeerde aan te zetten, reageerde hij steevast met: “Dat wil ik niet.” Om het dan vervolgens ook niet te doen. Vroeg ik hem iets klassikaal, dan volgde er een “uhm”, kreeg hij rode vlekken in zijn nek en gaf een volkomen onnavolgbaar antwoord.

Gaandeweg leerde ik hem kennen en via chantagemiddelen als ‘als je je rekenwerk gedaan hebt, mag je lezen’ kreeg ik hem min of meer aan het werk. Ook mocht hij dagelijks zijn eigen rekenstrategie aan mij komen vertellen. Die waren vrij omslachtig, maar wel goed. Zijn vertrouwen in mij groeide en daarmee zijn werklust. Ook op andere gebieden. Hij kwam er zowaar achter dat hij wél kon rekenen.

Bij het buitenspelen kwam hij altijd even een praatje maken. Hij vertelde over zijn papegaai, zijn hondje en allerlei andere wetenwaardigheden waarover hij gelezen had of belevenissen die hij had meegemaakt. Ik luisterde welwillend en zei na een aantal minuten: “En nu weer lekker met klasgenoten spelen P. ”Wat hij met een braaf “Okeee” dan ook deed. Hij huppelde dan met zijn specifieke loopje weg.

Ooit waagde ik het eens om lichte kritiek te uiten op zijn spreekbeurt. Er ging een grom door de klas. Want al was P een buitenbeentje, het was wel hún buitenbeentje en daar bleef je van af!

Nu zit hij in groep 7 bij een andere juf. Maar omdat wij met de groepen 7 zo onze eigen gemeenschap hebben, spreek ik P dagelijks. In december deelde hij mee dat hij een kijker ging kopen. “Ik vind vogels namelijk interessant”, zei hij. Natuurlijk vond ik dat – als fervente vogelaar- erg leuk en ik besprak met hem de opties voor een kijker. Ook wilde hij graag een IJsvogel zien, dus ik vertelde hem op welke plekken dat in Almere kon.

Toen kwam de tweede lockdown. De eerste was hem zeer zwaar gevallen. Zo zwaar, dat ik ervoor gezorgd had dat hij naar de opvang kon. Hoe de tweede is verlopen, weet ik niet precies want zoals gezegd: hij zit niet meer bij mij in de groep. Maar toen we weer naar school gingen, was het snel als vanouds. Hij had een kijker gekregen, alvast voor zijn verjaardag. “Maar”, zo zei hij met een diepe zucht, “Ik heb nog steeds geen IJsvogel gezien.”

Ik leende hem een boekje over IJsvogels. Hij was er blij mee. Na de meivakantie kwam hij het terugbrengen. Hij had het helemaal gelezen en er een paar plaatjes uit nagetekend. De IJsvogel blijft voorlopig nog even zijn wenssoort, maar ik weet zeker dat hij hem gaat zien.

P is het soort leerling dat ik in een doosje zou willen stoppen en altijd bij me zou willen houden. Ik zou hem willen beschermen tegen de grote boze buitenwereld die belang hecht aan sociaal aangepaste, flitsende mensen. Tegelijkertijd weet ik dat hij daar zelfstandig tegen bestand zal zijn. Hij trekt zich namelijk geen donder aan van de mening van anderen.

Vorige week had hij een cadeautje voor mij.  “Juf, ik heb een vlammetje voor u gemaakt. Dat kan dan gezellig op u bureau staan. Het wiebelt ook een beetje.” Ik kreeg een papieren vlammetje bovenop een gevouwen muizentrapje.

Het staat op mijn bureau en zal daar waarschijnlijk nog heel lang staan.

Theater

We zijn op zoek naar een nieuwe leesmethode. Onderdeel daarvan is het uitproberen van verschillende methodes. Ik heb drie lessen uitgekozen om uit te proberen. De eerste les heeft als titel ‘Theaterlezen’ , waarin drie rollen door drie verschillende leerlingen aan elkaar moet worden voorgelezen. Ik weet niet wat ik ervan moet verwachten. Ik vraag me af of het de leerlingen aan zal spreken, of ze goed gaan samenwerken en of het wat oplevert. Ik maak groepjes van drie, een rolverdeling, bereid de instructie voor en ben benieuwd.

Al tijdens de instructie hangen ze aan mijn lippen. Op het bord staat welk nummer welke persoon is. Ze hebben de tekst dan nog niet eens voor hun neus, maar een voorkeur voor wie ze zullen zijn hebben ze wel. Ik deel de nummers uit en er klinkt tevredenheid en teleurstelling uit de reacties. Ik doe voor wat ik verwacht, leg uit dat ze en rol spelen en dat daar ook een beetje overtuiging en inleving bij hoort. Ik doe enigszins dramatisch een stukje voor. Ze vinden het geestig en doen de handgebaren alvast na.

Dan krijgen ze de tekst en gaan hun rol lezen. Zonder dat ik het gezegd heb, kleuren enkele leerlingen hun eigen rol. Anderen oefenen alvast zachtjes voor zichzelf. In één groepje zitten vier leerlingen en ik leg dit groepje uit hoe ik het voor me zie. Een van de meisjes in dat groepje -eentje die nooit iets uit zichzelf zegt of naar voren stapt- neemt onverwacht de leiding. Als ze ziet dat haar groepsgenoten mijn voorstel van samen een rol doen maar niks vinden, zegt ze hoe ze het volgens haar moeten doen. Haar groepsgenoten knikken en het probleem is opgelost. Ze gaan aan de slag. In een ander groepje is één van de groepsleden niet blij met haar groepje. Ik zeg alleen maar: “Volgende keer beter.” Ze haalt haar schouders op en kort daarna zie ik haar vrolijk, half over haar tafel hangend meedoen.

Ik kijk. Ze zijn lekker bezig. Er klinkt gelach, ze lezen voor, verbeteren elkaar en na enige tijd zie ik lichaamsbewegingen toegevoegd worden. Ze leven zich in in de rollen.

Na een tijdje zeg ik dat ze zich moeten voorbereiden om het voor de groep te doen. Ik kies een groepje uit. Er is zowaar teleurstelling bij anderen dat zij niet uitverkoren zijn. Met serieuze en gespannen gezichten staan ze voor de groep. De rollen kennen ze bijna uit hun hoofd en het wordt zelfs een half toneelstukje. De tops van de rest zijn niet van de lucht. Ik sta er met stijgende trots en enige verbazing naar te kijken.

Ik vraag wat ze van de les vonden. Leg ook uit dat we op zoek zijn naar een nieuwe methode en dat ik benieuwd ben naar hun mening. Een meerderheid vond het leuk om te doen. Het is eigenlijk geen echte les, vindt een enkeling. Ik vraag waarom. Omdat het eigenlijk een soort spel is, is het antwoord. Er ontstaat een heus discussietje. Maar met mijn conclusie -jullie hebben zeer actief en goed gelezen, de rollen en de inhoud van de tekst goed begrepen- zijn ze tevreden. 

Wervelstorm

Mijn klas is aan de derde stormingsfase van dit jaar begonnen. De
tweede begon vlak voor de kerstvakantie maar zette niet door in
verband met de lockdown. In de twee weken voor de
voorjaarsvakantie was er geen sprake van veel onmin. Kennelijk
was het weerzien belangrijker. Deze week zwelde de onrust
langzaam aan, met als hoogtepunt het heen en weer lopen naar
gym.

Op de heenweg dacht ik nog dat ná de gym de energie er wel
uit zou zijn. Maar nee. De hele bende riep, duwde, trok, rende en
sprong dat het een lieve lust was. Er was niet echt onaardigheid
onderling, maar af en toe belandde een arm of een elleboog op de
verkeerde plek en moest ik tussenbeide komen, sussen en troosten.
Ook de gymleerkracht had al opgemerkt dat er van alles broeide.


Ik had allang mijn doel om alles ordelijk te laten verlopen omgezet
naar ‘heelhuids op school aankomen’. En ondertussen deed ik mijn
best om rustig en geduldig te blijven.

Meester A -onze directeur, nooit te beroerd om in te springen- liep
ogenschijnlijk rustig voor de troepen uit. Af en toe hield hij halt om te
zorgen dat de rijen gesloten werden en een kalme blik over de klas
te werpen. Daar nam ik dan maar een voorbeeld aan. Ondertussen
probeerde ik me te richten op de leuke dingen.


Zo was daar een leerling die de hoed van meester A op had. Deze
was in de kleedkamer blijven liggen en hij had me daar op
gewezen. Toen hij de hoed naar de eigenaar ging terugbrengen,
kreeg hij het voorrecht om hem zelf op te mogen zetten. het stond
hem goed.
Ook waren er twee jongen die vooral erg grappig wilden doen
maar ook best in waren voor een goed gesprek. Zo ging het opeens
over ontluikende verliefdheden in de klas. Kennelijk zijn er drie
jongens verliefd op hetzelfde meisje. Daar komt natuurlijk gedonder
van.


Het is geestig in groep 7. Voor mijn ogen zie ik ze transformeren
van kinderen naar tieners die ook niet weten wat ze met zichzelf aanmoeten. De onschuld is nog alom aanwezig, maar af en toe steken de hormonen de kop op. Zo had een van de grappenmakers deze week een augurk in zijn broodtrommel mee. Hij liet die aan de hele klas zien en suggereerde er van alles bij, maar slechts een enkeling
begreep, of wilde begrijpen waar hij op doelde. Hij zei nog: “In het Engels heet dit een pickle.”
Een andere jongen wil graag vooraan zitten tijdens het eten. De
aanleiding was ooit de etenslucht van een ander waar hij last van
had, maar inmiddels lijkt het er op dat de belangstelling voor een
meisje de werkelijke reden is.


Aangekomen bij school merkt meester A op: “Wat een onrustig
zooitje zeg.” Het had hem dus ook niet helemaal onberoerd gelaten.

Terug in de klas is het opeens helemaal anders. Snel gaan ze zitten
en zijn binnen tien seconden stil als ik daarom vraag. Ik maak een
opmerking over het gedrag onderweg en dik het nog wat aan door
te zeggen dat ik me werkelijk kapot schaam om zo met ze over
straat te gaan. Ook kondig ik aan dat we volgende week maar even
gaan oefenen met hoe het wél moet. Ze knikken braaf.
Even laten beginnen we met een dicteetoets. Het eerste woord is
‘de wervelstorm’. Ik onderdruk de neiging om daar een opmerking
over te maken. We werken het dictee af en ze gedragen zich
voorbeeldig.


Daar geef ik dan maar een welgemeend compliment voor.

Maandag

Het is de vijfde week thuiswerken van de tweede lockdown. Voordat de lessen beginnen is er al heel wat gebeurd. Het is glad in het hele land. Bij aankomst op school schuifel ik over een werkelijk spiegelglad schoolplein. Na enige tijd strompelt mijn collega de trap op. Ze is hard onderuit gegaan, is misselijk en heeft veel pijn. We zetten haar op een stoel, waarschuwen haar leerlingen en spreken bemoedigde woorden. Een andere collega heeft een ongeluk gehad en is met de ambulance afgevoerd naar huis. Ook de juf voor de opvang is er om half negen nog niet. Ik vraag de kinderen om zelfstandig aan het werk te gaan en er rekening mee te houden dat we instructie aan het geven zijn. Dat beloven ze plechtig, maar het lukt ze natuurlijk niet. Ook de wifi doet lastig.

Evengoed begin ik mijn les om stipt 8:30u. Mijn klas is altijd al op maandagochtend wat lusteloos en thuiszitten maakt het er niet beter op. Toch doen ze al wekenlang echt hun best. Ik heb een nagenoeg 100% aanwezigheid. Een enkele keer zijn er technische problemen waardoor een kind iets mist, maar dat is het dan ook wel. Vanmorgen hebben ze weinig te vertellen. Er gebeurt ook weinig natuurlijk. Het liefst gaan ze gewoon aan het werk.

We beginnen aan het taalthema ‘Helden’. Bij mijn uitleg over ‘ophemelen’, ‘op een voetstuk zetten’ , heroïsch’ en dergelijke, geef ik voorbeelden door leerlingen op te hemelen. Ook virtueel zie ik duidelijk dat ze daardoor rechterop gaan zitten, gaan glimlachen of oprecht ‘dank u wel’ zeggen. Langzaam komen ze uit hun maandagochtendwaas. We zijn wakker, de klas en ik. De rest van de dag rolt prima.

Ik heb voor deze week de tijden van de instructiegroepjes een klein beetje veranderd. Niet iedereen heeft dat even snel door. Dus de rekeninstructie is hierdoor meer dan anders een in- en uitloop. Maar ze leren snel. Aan het eind van de dag hebben ze het door en morgen zijn ze vast weer bijna allemaal ‘op tijd’.

Dingen moeten gaan zoals ze altijd gaan. Mijn leerlingen zeggen het niet, maar ik merk het aan de manier waarop ze reageren. Bij de afsluiting wil ik een Kahoot doen. Ik heb eigenlijk een hekel aan Kahoot omdat het te luidruchtig is en zo gericht op winnen dat na twee foute antwoorden de motivatie om serieus mee te doen afneemt. Maar goed, het is weer eens wat anders, dus ik probeer het maar weer. Het loopt helemaal mis. Kennelijk komen de vragen niet door. Totale chaos in mijn online-klas. Precies zoals ze ‘gewoon’ in de klas zouden zijn. Bij één verstoring helemaal van de leg.

“Morgen proberen we het weer hoor,” zeg ik. En dan zijn ze tevreden en zeggen vriendelijk gedag.

De met de ambulance afgevoerde collega blijkt nog net te hebben kunnen uitwijken voor een vrachtwagen, maar is er relatief goed vanaf gekomen. De andere collega is opgehaald en naar huis gegaan, heeft veel pijn maar niks gebroken. De opvang-juf kwam natuurlijk ook opdagen.

Volgende week gaan we weer ‘live’. Dat is prettig. Maar er hangen wel wat rare dingen omheen. Wat is in hemelsnaam een ‘reëel risico’? Hoeveel onrust gaat het op-en-af van klassen geven die op stel en sprong thuis moeten blijven?

Dingen moeten gaan zoals ze altijd gaan bij mij. Maar dat gaan ze al bijna elf maanden niet. Dus ik pas me aan. En nog en keer. En nog een keer. En nu dus ook weer, maar voor het eerst met enige ongerustheid.

Ik hoop dat het meevalt, de onrust die gaat komen. Ik weet dat het vast niet zo is. Maar we blijven -noodgedwongen- optimistisch. Morgen is het dinsdag.

2020.

Het is 22 december 2020. De dagen gaan lengen en al merken we daar de eerste weken nog weinig van, het is onvermijdelijk. Terugkijken op 2020 en daarbij luchtig en optimistisch blijven, is lastig. In 1859 schreef Charles Dickens een boek dat bijna niemand kent, maar de beginzinnen zijn beroemd:

Het was de beste der tijden, het was de slechtste der tijden,
het was de eeuw van wijsheid, het was de eeuw van dwaasheid,
het was het tijdvak van het geloof, het was het tijdvak van ongeloof,
het was het jaargetijde van het licht, het was het jaargetijde van duisternis,
het was de lente van de hoop, het was de winter van de wanhoop.

De boodschap is: naast het slechte is er ook altijd het goede. Ook in Almere. In 2020 is er in Almere een katholieke kerk bijgekomen, is Froukje de Jonge teruggekeerd als wethouder, is Irma Swab conciërge van het jaar geworden, zijn er meer mensen vrijwilligerswerk gaan doen en bracht de koning een verrassingsbezoek. Verder kwam er een buslijn naar Duin, werd de Esplanade opgeknapt, is het eerste deel van ‘Het rondje Weerwater’ af, is jeugdland Haven af en kan weer open, is de centra van Buiten en Haven nieuw leven ingeblazen, is de Sterling BK716 die op 29 maart 1943 neerstortte geborgen en is daar een kinderboek over verschenen. Ook is er besloten dat er een openluchtzwembad komt én een kunstmuseum en heeft Mo Hersi er voor gezorgd dat Enith Brigitha een standbeeld krijgt.  En wat ik zelf erg positief vind: Franc Weerwind wil nog een periode door als burgemeester, Lelystad Airport is nog steeds niet open en een vuurwerkverbod bleek toch mogelijk opeens!

Natuurlijk kan ik niet om corona heen. Dat heeft vervelende gevolgen: ondernemers hebben het moeilijk, zorgpersoneel is overbelast, schoolkinderen kwamen thuis te zitten, ouders moesten hun werk combineren met schoolwerk op gang houden, kwetsbaren zitten al het grootste deel van het jaar binnen, eenzaamheid onder met name ouderen en jongeren neemt toe etc. Daarnaast is er een opleving van complottheorieën, want zo gaat dat in onzekere tijden.

Zelf heb ik ook een theorie: het is ongeveer 300 dagen geleden dat de eerste coronamaatregelen ingingen. 2020-300=1720. Als je vanuit Almere 1720 km naar het oosten gaat kom je in Minsk, de hoofdstad van Belarus. Dat kennen wij beter als Wit-Rusland, maar ze hebben liever dat je Belarus zegt. Dus doen we dat. Belarus is een dictatuur, de ergste in Europa. Kritiek hebben op de overheid kan je de kop kosten. Soms letterlijk, want Belarus kent ook als enig Europese land de doodstraf. Persvrijheid bestaat niet in Belarus. In Belarus hadden ze verkiezingen dit jaar, maar dat was een lachertje. In Belarus protesteren ze elke dag terecht tegen de uitslag van die verkiezingen en verdwijnen er dagelijks mensen naar keldertjes om gemarteld te worden. Hoor je weinig over. Komt door corona.

Ik denk vaak aan dit soort dingen als ik hoop voor Nederland wil blijven houden. In Nederland gebeuren soms vreselijke dingen. De toeslagenaffaire bijvoorbeeld. Maar in Nederland mag je kritiek hebben op iedereen en alles met macht. Je mag demonstreren, ook als het niet mag, je mag stukken schrijven op internet en in de krant.  Je mag zelfs de Koning nomineren als ‘republikein van het jaar’. En je mag stemmen op wie je wilt en zo je vrede of onvrede laten zien. Dat is een groot goed. Wat niet mag is mensen uitschelden of bedreigen of door rood rijden. En je wordt geacht je aan de regels te houden. Dat helpt namelijk om de boel een beetje leefbaar te houden, en gezond in dit geval. De meeste mensen doen dat maar die hoor je het minst. Komt ook door corona.

We gaan zonder geknal 2021 binnen. Mét corona maar ook met een vaccin. En wie weet kunnen we ons volgend jaar om deze tijd weer gewoon druk maken over geknal op straat,  wie wanneer komt eten met de Kerst en over de toestand in Belarus natuurlijk.  

Tot die tijd: houd vol, houd hoop en wees lief voor elkaar.

Het is wat het is.

Een paar weken geleden vroeg ik mijn klas hoe ze terugkeken op het thuiswerken. Het leek ze wel wat. De buurklas had in die tijd een zieke leerkracht. Voor hen betekende dat eerst twee weken elke dag een ander voor de klas en daarna, toen ook de invaller besmet met corona bleek te zijn, tien dagen digitaal onderwijs. “Ze hebben alweer vrij”, zeiden mijn leerlingen dan. Nou, dat leek ze ook wel wat.

Voor de herfstvakantie draaide mijn klasje lekker. Na de herfstvakantie stak er een licht briesje op, dat aanwakkerde tot een storm. Langzaamaan werd de rust weggeblazen door drukte op bepaalde momenten. Stil voor zichzelf werken ging prima. Instructie ging redelijk goed. Maar zodra er samengewerkt moest worden, was het handhaven van het geluidsniveau een opgave. Daar steeds weer aandacht voor vragen, voordoen, oefenen, belonen op gewenst gedrag, het haalde niks uit. Telkens knikten ze welwillend en natuurlijk begrepen ze het en wisten ze hoe het moest en waarom, maar zodra er een kleine ruimte was vlogen de decibellen je om de oren. Niet dat het een voortdurende rotherrie was overigens, dat viel echt wel mee. Maar mijn lat ligt hoog. Het was een langzaam glijdende schaal die ik dan wel in gaten heb, maar net even te lang laat sudderen. Tot ook andere dingen begonnen te glijden.

Twee weken geleden besloten mijn duo en ik tot radicaal ingrijpen. Terug naar de basis: Zo zit je op je stoel, zo ziet je schrift er uit, zo gedraag je je tijdens instructie en zo draag je bij aan rust. En natuurlijk met de bijbehorende positieve bekrachtiging en de noodzakelijke harde lijn voor de hardleerse enkelingen. Dat wierp erg snel vruchten af. Natuurlijk wierp dat vruchten af, elke zichzelf respecterende leerkracht weet dat het je zelf het antwoord op onrust bent.

Afgelopen maandag keek ik tevreden toe hoe ze doodstil aan het rekenen waren, hoe ze bij taal – oké, na één keer feedback geven over het geluid- lekker in tweetallen woorden aan het oefenen waren en hoe ze dat nog een keer deden bij het oefenen met de atlas.

En toen veranderde de wereld. Een tweede lockdown. Voor mij toch wel onverwacht. Natuurlijk hadden mijn 28 stuiterballen de spanning en de onrust en de weet-ik-niet-wat in hun lijf. Dat had ik namelijk ook. Thuiswerken leek ze overigens opeens helemaal zo leuk niet meer. In de ochtend deden ze nog even extra hun best. Daarna moesten er wat dingen goed geregeld zijn voor we de deur uit liepen. Dat had ik dan weliswaar goed georganiseerd, maar op het moment van ‘dit zijn de dingen die ik wil dat je nu op je tafel uitstalt’ , leek het alsof ik een kudde koeien in de wei losliet die een winter binnen gestaan had. Mijn neiging naar controle botste even behoorlijk met deze situatie.

We kwamen erdoorheen. Na de pauze mochten ze schaken, dammen of een denkspel spelen met een klasgenoot naar keuze. Meteen bij binnenkomst. En oh, wat een rust opeens. Zoet waren ze gewoon. We gingen vrolijk uit elkaar.

Vandaag had ik mijn eerste lesmomenten online. Dit schooljaar hebben veel klassen en leerkrachten geoefend met de digitale leeromgeving, omdat de leerkracht getest moest worden of ziek thuis zat. Maar mijn klas en ik nog niet. Met dat in gedachten ben ik over vandaag niet ontevreden. In eerste instantie vonden 20 leerlingen zonder veel problemen de weg naar het digitale lokaal. De rest had inlogproblemen, die gedurende de dag zijn opgelost. Voor de anderen gaat dat vast voor de vakantie ook gebeuren. En er was natuurlijk ook de onvermijdelijke boze ouder die niet ogenblikkelijk antwoord kreeg toen hij daar om vroeg. De school had tenslotte in oktober al aan ouders gevraagd om de boel op te starten zodat problemen op tijd ondervangen konden worden. Onze ICT-man had zelfs een zeer duidelijke handleiding geschreven. Dus ja, die ouder had wel een punt…

En de digitale momenten zelf waren aardig, zelfs de moeite waard. Vragen zijn beantwoord en werd actief meegedaan, sommigen bleven spontaan hangen na het vragenuurtje ‘zodat ze dingen samen konden doen’ en anderen gingen na één vraag zelf aan het werk. Bijzonder geestig verschijnsel was dat die ene leerling die het in de klas lastig vindt om zich te voegen, nu ook ‘microfoon uit’ niet helemaal onder de knie kreeg. Online kan je gelukkig muten.

Het is allemaal niet ideaal. Of eigenlijk: Het is zuur en zou niet nodig moeten zijn. En in tegenstelling tot de HEMA en de Action kunnen wij niet nog even net doen of onze neus bloedt. Ondanks onze 100% essentiële artikelen.

Maar ergens, ooit, in 2021, komt het allemaal ongetwijfeld goed.