Ik wilde net met een dictee beginnen, toen de halve klas zich naar het raam bewoog. Mooie, dikke sneeuwvlokken zoals je maar zelden ziet, dwarrelden naar beneden. Met verwondering stonden ze er naar te kijken. Ik liet het maar even zo, een paar minuten. “We gaan toch wel gewoon spelen?” vroegen ze. Toen ik ze gerust gesteld had dat we dat natuurlijk gingen doen, konden we verder.
Buiten had zich net een mooie laag gevormd. Er werd gegleden, er werd met ijsballen gegooid. Een leerling van een andere groep stond met zijn mond open vlokken op te vangen, een meester deed hem na. Er werd gegleden, een paar meisjes uit mijn groep stapten achter mij aan in de voetstappen die ik achterliet. We maakten er een spelletje van. Er werd gegleden en met sneeuw gegooid. Een paar jongens deden dapper een poging om te voetballen. Er kwamen steeds meer klassen naar buiten die even van het moment wilden genieten. “Hoe vaak maken ze dat nou mee?” zei een collega.
Na een minuut of twintig kwam de eerste leerling vragen of we weer naar binnen gingen, want het was zo koud. Een groep 4 leerling liep huilend rond omdat hij een ijsbal in z’n gezicht had gekregen. Het schoolplein was veranderd in een waterplas. Tijd om weer naar binnen te gaan.
Met rode neuzen en natte jassen kwamen ze met me mee. Op de trap vormde zich plasjes. In de klas werden schoenen, sokken, dassen en handschoenen op en onder de verwarming neergelegd. Met rode wangen zaten ze weer voor me. “Dat was effe leuk hé?” zei ik. Er werd geknikt en gelachen en nog even opgeschept over wat ze gedaan hadden.
Ze pakten hun spullen voor de volgende les voor hun neus en we gingen door. Maar dit korte moment van geluk hadden we toch maar weer mooi binnen.
