Voor mijn deur staan de vader en moeder van mijn vrolijke kleine punkjongetje Danny. Hijzelf is er natuurlijk ook bij. ´Moet ik ook mee?’, vraagt hij. ‘Over wie gaat het gesprek eigenlijk?’, zeg ik vriendelijk. Hij lacht wat onzeker en stapt dan naar binnen.
Ik begin het gesprek met de agenda. Als ik zeg dat ik wil bespreken hoe Danny zich voelt op school, wordt er instemmend geknikt. Of ze zelf nog iets willen toevoegen. Ze kijken elkaar aan, maar zeggen niks. Ik begin met hoe Danny in de klas is: prima werkhouding, doorzettingsvermogen ook als het moeilijk is, altijd vrolijk, altijd behulpzaam, etc. Trotse gezichten van ouders en ook Danny lacht. Op de een of andere manier verwachten kinderen altijd het ergste van gesprekken. ‘En kletsen kan je ook’, zeg ik. Zijn ouders beginnen te lachen, dat herkennen ze inderdaad ook. Zijn resultaten vallen ze wat tegen, maar zijn wel in lijn met andere jaren.
Dan begin ik er over dat uit de vragenlijst die Danny ingevuld heeft, blijkt dat hij zich toch niet altijd veilig voelt. En dat ik dat niet aan hem zie. Dus ik vraag hem hoe dat komt. Ik heb hem dat al eerder gevraagd, maar kreeg niet echt een antwoord. Danny kijkt na die vraag naar zijn moeder. Die moedigt hem aan om zelf antwoord te geven. Hij aarzelt, kijkt om zich heen en zegt ten slotte: ‘Ik weet niet…’ Gelukkig blijkt hij er thuis wel over te praten en na wat aandringen vertelt hij dat in de rij na het buitenspelen, sommige kinderen opmerkingen maken over zijn schoenen of zijn tanden.
We praten er even over, wat ik kan doen, wat hij kan doen, etc. Ik vraag hem wie er allemaal zijn vrienden zijn in de klas. Hij kan met gemak acht namen noemen. Hij voelt zich eigenlijk meestal helemaal prima, met uitzondering van die enkele keer.
Zo zie ik hem ook in de klas. Hij gaat met veel jongens en meisjes om, is over het algemeen vrolijk, maakt grapjes, kiest met wie hij wil spelen en lijkt zich nergens druk over te maken. Zijn haar staat altijd stoer overeind en in de Kinderboekenweek verfde hij het groen. Terwijl hij vertelt, zie ik zo’n nog klein jongetje dat af en toe gemangeld wordt door jongens die dan wel niet veel ouder zijn, maar zich wel zo gedragen.
En dan komt de uitsmijter van de ouders, ze wilden nog iets kwijt. ‘We gaan die lieve jongen bij je weghalen’. Even, heel even ben ik verbijsterd. Zo rampzalig en onoplosbaar was het toch niet?
Het blijkt dat ze gaan verhuizen. Hè wat? Verhuizen dus, en ze kijken er allemaal heel blij bij. Naar een groter huis, een kleine stad en vooral ver van Almere. En natuurlijk ben ik blij voor ze. Maar diep in mijn hart voel ik iets anders. Deze jongen, waar ik elke morgen blij van word, waar ik grapjes mee uithaal, die grapjes met mij uithaalt, die soms een boefje is maar altijd accepteert dat ik hem even bij z’n grote vriend weghaal, die zo dankbaar kan kijken als ik hem help met z’n werk. Mijn lieve, vrolijke, kleine punkjongetje gaat weg.
Hij had het nog aan niemand verteld, omdat papa en mama het graag éérst aan de juf wilden vertellen. De volgende ochtend vraag ik of hij het nu al aan Jaden heeft verteld. ‘Dat doe ik tijdens buitenspelen’, zegt hij met een ernstig gezicht. En inderdaad, even later op het schoolplein zie ik ze als twee serieuze mannen tegenover elkaar staan. De kleine Danny en de kop grotere Jaden die evengoed ook nog klein is. Ik zie het hoofd van Jaden voorover knikken, ik zie hem omdraaien en weglopen.
Bij het naar binnenlopen vraag ik Jaden of hij verdrietig is. Hij knikt en zegt gelaten: ‘Ja.’
‘Ik ook’ , zeg ik.

Mooi op papier gezet.
Wat jammer voor de twee vrienden.
Ik hoop dat ze af en toe bij elkaar mogen logeren.
LikeLike