Het klinkt natuurlijk weinig professioneel om te zeggen dat je in het basisonderwijs wilt werken, omdat je dan kunt voorlezen. En toch is het één van mijn -niet uitgesproken- overwegingen geweest. Ik houd enorm van lezen én van voorlezen. Voorlezen staat dus dagelijks op het programma. Liever laat ik bij tijdgebrek een spellingles vallen dan voorlezen. Er zullen vast diehards zijn die dit niet vinden kunnen, maar dat kan mij geen moer schelen. Liefde voor boeken, voor verhalen, is mij toch net even dierbaarder dan correct spellen.
Dus op de eerste schooldag begon ik in ‘Haaientanden’ van Anna Woltz. Een niet te dik boek om deze schrijfster te promoten en om er even in te komen. Op maandag moest mijn klas er ook nog even inkomen. Niet alleen in het boek, maar ook in de routine. Bovendien was het de eerste schooldag, dus sowieso waren de routines nog even wennen. Ik vroeg wat voor gedachten ze hadden bij de titel. Na wat makkelijke antwoorden zei één leerling: “Ik denk dat het over pijn gaat, want haaientanden zijn scherp.”
“We zullen zien”, antwoordde ik. Op dinsdag wist niemand meer hoe de hoofdpersoon heette, of haar protagonist. Maar na enkele vragen en na het verhaal weer een beetje opgehaald te hebben, ging ik opgewekt verder. Een paar keer vroeg er iets over. Hier en daar begon er begrip over het verhaal te ontstaan.
Op woensdag kwam de klik. Leerlingen mogen heel stil tekenen tijdens het voorlezen. Maar in de loop van het verhaal kwamen potloden stil te liggen, keken steeds meer leerlingen mij aan en werd het doodstil.
Vooraf had ik verteld dat het soms even duurt voordat je in een boek zit, maar als je er dan in zit, dat ongeveer de mooiste ervaring is die je kan hebben. Haaientanden gaat over een meisje dat een lange fietstocht onderneemt om te ontsnappen aan de spanning thuis met haar zieke moeder en het schuldgevoel dat ze heeft bij haar eigen schijnbaar onverschillige gedrag. Haar tegenspeler is boos -of eigenlijk verdrietig- , omdat zijn moeder gezegd heeft dat ze spijt van hem heeft. En hoewel ze nog niet helemaal precies weten hoe het zit, voelen mijn leerlingen de spanning en de innerlijke conflicten kennelijk goed aan.
Na 17 minuten stopte ik met lezen aan het einde van een hoofdstuk. “Wilt u alstublieft nog even verder lezen?” vroeg een leerling en hij kreeg bijval. Heel zachtjes, omdat ze het écht heel graag wilde. Dus ik las nog een hoofdstuk. Toen dat ook klaar was, hoorde ik: “Het is echt spannend.”
Ze weten nog niet dat die moeder ziek is, dat de hoofdpersoon gek wordt van het wachten op een uitslag, dat ze ondertussen verliefd wordt op haar tegenspeler en dat het allemaal goed komt. Maar ik weet bijna zeker dat als ik morgen voor ga lezen, dat ze er klaar voor gaan zitten. En dat ze het kwartiertje dat ik ervoor gereserveerd heb te kort zullen vinden.
Dit wordt een goed schooljaar, ik weet het zeker.
