Ik had chocola op mijn bureau liggen. Van een jarige leerling, voor de leerkrachten. Nu ‘de klassen rond’ niet mag, in verband met Corona. is de bedoeling is dat je het in de teamkamer legt en dat leerkrachten dan op een kaart de jarige kunnen feliciteren. Ik laat altijd van alles liggen op mijn bureau en heb er alle vertrouwen in alles blijft liggen. En eerlijk gezegd, het is me in tweeëntwintig jaar niet gebeurd dat er iets verdwenen is.
Maar nu dus wel. In de pauze, op het plein komt een leerling naar me toe. “X heeft de chocolade opengemaakt en opgegeten.” Nu denk ik altijd van alles bij klikken, maar tienjarigen zijn nu eenmaal enorm moralistisch. Hun rechtvaardigheidsgevoel is groot. Handig om te weten was het echter wel. Voor het naar binnenlopen vraag ik de dader: “Heb jij mij nog iets te vertellen?” Een ontkennend antwoord volgt inclusief een onschuldige blik. Terug in de klas zie ik het geopende pak liggen op tafel. Met een ernstig gezicht sta ik voor de klas. De kinderen reageren meteen. Ze zien, ze voelen, dat er iets héél ergs aan de hand is, en bovendien weten sommigen natuurlijk allang wat er gebeurd is. Dus ik steek van wal. Dat ik teleurgesteld ben, dat ik geschokt ben, dat ik het niet verwacht had. Het is muisstil. Ergens denk ik nog bij mezelf: “Zet je het nu niet wat erg aan?” Ik zeg dat ik hoop dat de dader zich meldt, dat mensen fouten maken maar dat je dat ook weer goed kan maken. Ik zeg ook dat ik hoop dat de dader zich schuldig voelt, dat dat een teken is van een goed geweten. De klas knikt instemmend. Ze snappen het, ze vinden het ook heel erg, ze vinden het volkomen terecht dat ik er zo’n punt van maak.
In het uur dat volgt is er veel contact tussen drie leerlingen. Een van hen zou namelijk tegen de dader gezegd hebben: “Pak de chocola”, maar dit word heftig ontkent. Er worden woorden en boze blikken gewisseld.. Natuurlijk niet hardop. Ik doe alsof mijn neus bloedt. Vlak voordat we weer naar buiten gaan zeg ik tegen de klas: “Ik ben natuurlijk niet doof, niet blind en helemaal niet dom, dus ik weet allang wie die chocola gepakt heeft. En ik ga er wat aan doen. Maar er is wel genoeg gedoe over geweest dus we houden er nu verder over op.” Ook nu wordt er instemmend geknikt. Voor sommigen is het alweer een gepasseerd station. Als iemand z’n vinger opsteekt en ik verwacht dat er nog een mening op het geval komt, zegt hij: “Van chocola word je erg moe.” Altijd leuk om te merken dat waar een thema ook vandaan komt, het ook wel weer een geestig weetje oplevert. Het ontspant ook, voor iedereen die helemaal niks met de zaak te maken heeft.
We gaan naar buiten. Met de dader loop ik als laatste het lokaal uit. “Ik weet natuurlijk dat jij dat gedaan hebt.” Er komen tranen. Het klopt. “En ik wilde het zo graag tegen u zeggen, maar X zei dat en nu zegt ze dat ze dat niet gezegd heeft.” Het verdriet is oprecht. Dus ik vraag of het er toe doet dat iemand anders haar opgejut heeft. “Als jij in een winkel staat en iemand zegt: “Pik dat”, doe je het dan?” Nee, natuurlijk doet ze dat niet. “Maar dit is hetzelfde.” Het verdriet wordt nog veel groter. Voor mijn neus stort een klein meisje in dat een domme fout heeft gemaakt en niet weet hoe ze het goed moet maken. Dus ik rond het af met haar. Zeg dat iedereen wel eens fouten maakt, dat ik hoop dat ze er wat van geleerd heeft en vraag hoe ze denkt dat ze het goed kan maken. Ze zal nieuwe chocola meenemen. Ze gaat haar neus snuiten en wat mij betreft is daarmee de kous af.
Buiten spreek ik nog even met de ‘ophitser’. Ze ontkent in alle toonaarden. Ik weet bijna zeker dat ze dat wel gezegd heeft. Dus ik zeg: “Of je het nu wel of niet gezegd hebt, ik vind ophitsen eigenlijk net zo erg. Zorgen dat iemand iets verkeerds doet en er dan zelf buiten blijven. Het is eigenlijk laf en gemeen.” Ze kijkt me aan. Wil zich al gaan verdedigen, maar doet het niet. Ze kijkt me alleen maar aan. En ik kijk terug. Ik krijg alleen “oké” als antwoord.
En daarmee is voor nu de zaak gesloten.
