Op donderdag ben ik de invaljuf voor groep 4. Wie mij vijf jaar geleden gevraagd had of ik mijzelf dat zou zien doen, zou als antwoord gekregen hebben: “Nee”. En nog steeds is het wennen. Pre-corona was ik er net een beetje ingekomen, post-corona is dat wennen weer opnieuw begonnen. De zelfstandigheid en ‘wetendheid’ van groep 6 is enorm, vergeleken bij dit grut.
Ook hun geest maakt wonderlijke bochten. Vandaag meldde een van de grootste doerakken van de klas al dat hij bang was voor een of ander monster. Hij trok er een heus griezelig gezicht bij. Ik besteedde er niet veel aandacht aan, luisterde half en knikte begripvol. Maar bij het buitenspelen rende er opeens twee meisjes naar me toe. Overtuigend overstuur. “Juf, we zijn echt bang”. Ze kropen dicht tegen me aan en de tranen stroomden rijkelijk. Daar ga je dan met je anderhalvemeterregel. “Er zit een monster in de put, en hij zit overal, en hij heeft een oog.” Hun hoofdjes duwde ze nog maar eens steviger tegen me aan. Ik onderdrukte mijn eerste impuls om te gaan lachen en zei in plaats daarvan: “Nou, daar zullen we even wat aan doen dan.” Ze sleepten me mee naar een put en wezen in de diepte. “Daar, daar!” En griezelend maar toch ook gefascineerd bleven ze achter me staan. Ik riep er een collega bij om te overleggen hoe we dat monster weg konden krijgen. Gezamenlijk voerden we een ritueel uit. En binnen no-time was het monster van het schoolplein verbannen. Helemaal naar andere kant van de straat.
De meisjes waren opgelucht, maar toch nog niet helemaal. “Mag ik in de klas bij u zitten?”, zei de bangste van de twee, “want hij zit misschien ook in school.” Dat mocht natuurlijk. De ander was toch duidelijk minder aangeslagen en was alweer met iets anders bezig.
We gingen taal doen en ik vertelde een sprookje. ‘De nieuwe kleren van de keizer’. Dat staat ook in stripvorm in het boek, maar ik vind mijn versie leuker. Met open monden luisterden ze. En oh, wat prachtig toen de keizer in z’n blootje door de straten liep. “Maar hij heeft nog wel z’n onderbroek aan”, meldde er eentje. En inderdaad, in het boek stond hij met z’n onderbroek aan. “In het echt niet hoor”, zei ik, “In het echte sprookje is hij helemaal bloot.” Dat vonden ze inderdaad wel logisch en vooral veel grappiger. De monsters waren naar de achtergrond verdrongen.
Vlak voor de tweede pauze kwam de grootste bangerd naar me toe. “H. heeft het allemaal verzonnen, het was nep dat monster.” Even speelde ik met de gedachte om dit tegen te spreken, dat heb ik wijselijk niet gedaan. Ik knikte alleen maar. Het leed was definitief geleden.
Buiten speelde de zon en de schaduw in de ramen van de huizen. Daar kan je vreemde dingen in zien als je wilt. En dat deden ze dan ook. Een beetje gruwelend, maar toch vooral lachend. Op de grens van magisch denken, maar toch nog niet helemaal.
