Opvang

Deze week doe ik de opvang van leerlingen met ouders met zogenoemde vitale beroepen. Ik zit dus feitelijk niet thuis maar op school. Maar gewoon is het niet. Maandag begint wel alsof alles normaal is. Om half zeven op en om even na zevenen de deur uit. Het is koud en het ruikt opmerkelijk fris. Onderweg kom ik één andere fietser tegen, een paar auto’s en zeer veel fluitende vogels. Ik moet naar ons andere gebouw en neem niet eens de verkeerde afslag. Op de fiets realiseer ik me dat ik eigenlijk niet precies weet hoe mijn dag zal verlopen. Bij de voordeur moet ik aanbellen. De directeur doet open. Een beetje ongemakkelijk staan we 1,5 meter bij elkaar vandaan. We wisselen even ervaringen uit en daarna loop ik naar boven. Ik zoek een lokaal uit. Het lokaal van een collega. Het voelt een klein beetje als inbreken. Dan om acht uur de briefing. We zitten met z’n vieren om een tafel die voor bedoeld is voor 15 mensen. Daar zitten we dan. We nemen de leerlingen door die vandaag zullen komen.

Uiteindelijk blijken dat twee kleuters en vier leerlingen uit groep 4 en 6 te zijn. De laatste vier zijn voor mij. Het is leuk weer kinderen voor je neus te hebben en de kinderen vinden het ook wel oké om op school te zijn. We beginnen met een praatje en gaan daarna lezen. Daarna zet ik ze achter de computer om hun weektaak te maken. Ze doen hetzelfde werk als hun klasgenoten thuis. Vier kinderen bedienen is natuurlijk luxe. Dus allemaal krijgen ze prettig veel aandacht van mij. Dat is ook nodig. Vooral de groepers 4 vinden het fijn als ik help met opstarten, uitleg hoe ze makkelijk bij een site kunnen komen en tussendoor gewoon gezellig met ze babbel. Toch zijn ze vrij zelfstandig. We praten en lachen tussendoor ook veel. Over wat ze gedaan hebben in het weekend (niet veel) bijvoorbeeld en over het nieuws. Als ze zich al veel zorgen maken, dan laten ze het in geval niet merken. Één van de meisjes merkt wel op dat ze toch eindelijk wel weer eens zou willen knuffelen met de juf. We spelen lekker lang buiten. Dat is extra leuk, omdat voor de gelegenheid de oudere kinderen ook met de kleuterwagens mogen spelen. En al zijn ze dan met z’n zessen, ze vermaken zich prima. Zo gaat de dag voorbij. Eigenlijk heel genoeglijk.

Maandagavond krijg ik een berichtje van één van de leerlingen uit mijn klas: “Hoe laat fiets je morgenochtend langs? Dan kan ik naar je zwaaien.” En als ik langs haar huis fiets, staat ze ook echt voor het raam. We praten even en zwaaien. Later stuurt ze nog een berichtje dat ze dat heel leuk gevonden had.

Dinsdag heb ik acht leerlingen uit vier jaarlagen onder m’n hoede. Omdat er in de lokalen maar twee computers staan, zitten ze verspreid. Maar het is geen probleem, ik maak gewoon een servicerondje over de hele verdieping en loop zo ongeveer elke tien minuten bij ze langs. Twee achtste groepers hebben alles onder controle. Het enige dat ze kwijt willen is dat het hoofdrekenen weer sneller is gegaan dan gisteren en dat ze een Engels liedje hebben vertaald. En als ik ze vraag om alle klokken in de lokalen op zomertijd te zetten, doen ze dat met veel plezier. Vooral omdat ik ze aanmoedig om ergens op te gaan staan als ze niet bij de klok kunnen. Alsof ze iets aan het doen wat normaal niet mag. En dat is natuurlijk ook zo. Twee jongens uit groep 5 hebben een hoop branie maar lopen keer op keer vast met de computer. Uiteindelijk bedenken ze zelf dat als de een het bronnenboek opent en de ander het werkboek, ze prima kunnen samenwerken. Ze wantrouwen nog even mijn compliment en leggen uit dat schrijven met de computer echt niet zo netjes kan. Een jongen uit groep 4, de groep waar ik normaal gesproken op donderdag voor sta, werkt buitengewoon goed en geconcentreerd. In de klas lukt dat lang niet altijd. Als ik op gegeven moment probeer hem achter de computer vandaan te krijgen, vindt hij dat hij eerst z’n werk moet afmaken. Tijdens het buitenspelen gaat hij samen met een van de kleuters in de zandbak. Helemaal gelukkig is hij daarmee. In de tweede pauze vindt hij de oudere jongens opeens reuze interessant. En als ze gezamenlijk loeihard vallen met een wagen, geeft hij geen krimp maar komt me trots z’n schaafwonden laten zien. “Niks aan de hand juf!” Het meisje uit groep 4, dat zowel gisteren als vandaag heel gedisciplineerd haar werk heeft gedaan en mij eigenlijk niet nodig heeft gehad, maakt in de middag een narcis. Telkens als ze vastloopt, doe ik iets voor waardoor ze verder kan. uiteindelijk heeft ze een mooie bloem gemaakt. Heel zachtjes zegt ze “dank u wel juf.” Gewone, alledaagse dingen die op een willekeurige schooldag keer op keer meemaakt. Maar omdat geen willekeurige schooldag is, sla ik het extra op.

Tussendoor beantwoord ik berichtjes van mijn eigen klas. Ik heb ze in het ochtendbericht een foto gestuurd, een tekst die mijn collega groot voor het raam heeft opgehangen. “Lieve kinderen, we missen jullie.” een stuk of acht leerlingen reageren daarop: “Ik mis u ook juf.” “Ik mis alle juffen en meesters.” “Ik mis de gezelligheid.” En ik word werkelijk overstelpt, zoals elke dag, met kunstwerken. Gisteren en vandaag was de opdracht een fantasievoertuig maken in de geest van Hundertwasser. Missie prima geslaagd.

Ik weet dan al dat het nog even gaat duren voor we elkaar weer zien. En inmiddels weten we dat het tenminste tot na de meivakantie gaat duren. In het berichtje voor woensdag (een videobericht) ben ik even serieus. Ik zeg dat het moeilijk is, voor hen, voor iedereen. Maar ik probeer ook duidelijk te maken dat dit een bijzondere periode is die ze nooit zullen vergeten, dat ze de dingen die ze nu gemaakt hebben goed moeten bewaren. En ik zeg dat we elkaar weer gaan zien en dat we dan een feestje vieren. En daarna heb ik natuurlijk gewoon weer vrolijk gedaan. Het is woensdag tenslotte 1 april.

2 gedachten over “Opvang

Plaats een reactie