Ik loop het lokaal van mijn klas in. Vandaag staat mijn maatje voor de klas en ben ik bezig met technisch lezen te toetsen. Het is net buitenspeeltijd en het grootste deel van de klas is al weg. Ik zie twee vriendinnetje. Een met dikke tranen, de ander met een boos gezicht. Mijn collega wil graag naar buiten maar deze twee kan ze zo niet achterlaten. “Zal ik het even afhandelen?” vraag ik. Niet dat ik daar op zat te wachten, ik was al langer bezig met die toetsen dan ik ingeschat had en wilde eigenlijk gewoon verder. Maar tranen en een boos koppie kun je natuurlijk niet negeren.
Ik gebaar de twee dat ze moeten gaan zitten. Eerst doet A haar verhaal. Het komt er op neer dat ze twee voetbalplaatjes gekregen heeft maar dat B die terug wilde en een plaatje heeft afgepakt. “En toen kregen we ruzie”. En niet alleen met woorden, er was ook trekken en schoppen aan te pas gekomen en nu ligt er een gescheurd voetbalplaatje op de grond. “En ik heb daar heel lang voor gespaard” aldus een snikkende A. Het verhaal van de andere kant is natuurlijk dat B de plaatjes wel gegeven had, maar dat bedoelde als ruil. Dat had ze er alleen niet bij gezegd. Ik vraag A of ze dat niet begrepen had, of had kunnen begrijpen. Ze haalt haar schouders op maar zegt toch dat het wel logisch is, je geeft niet zomaar voetbalplaatjes weg.
Ondertussen komt de rest van de klas weer binnen, dus we verhuizen naar een andere plek. Gelaten lopen ze achter me aan. Ik vat samen wat ik ongeveer gehoord heb en geef er mijn mening bij. “Ik snap dat je dacht je ze kreeg, maar ik snap ook dat B er van uit ging dat het om ruilen ging. Het was handig geweest om dat even te zeggen.” Ik vraag wat er nodig is om het weer goed te maken. A hoeft alleen maar het plaatje terug, B wil excuses. Maar dan wil A dat ook “want ze heeft aan m’n trui getrokken en dat deed erg veel pijn”. Toch lijken ze allebei al wat afgekoeld en ik meen aan ze te zien dat ze het goed willen maken. Ik vraag wat er gaat gebeuren als ik ze even ergens neer zet en ze het dan met z’n tweeën oplossen. Dat gaat wel lukken, zeggen ze.
Ik toets tussendoor een andere leerling en loop daarna weer naar ze toe. “Lukt het een beetje?” vraag ik. Nee dus. A zegt “we blijven steeds maar zeggen wat de ander heeft gedaan.” Ik knik en kijk ze beide even aan. A huilt niet meer en ziet er uit alsof ze het wel oké vindt zo. B kijkt boos. Nu is B wel vaker boos, maar ik zie dat ze zich enorm inhoudt. Ik leg ze de keuze voor: of de hele dag boos op elkaar blijven óf accepteren dat dit gebeurd is, gehoord hebben hoe de ander zich daar over voelde en weer verder gaan. Dan kan namelijk. Ze knikken allebei en kijken elkaar steels aan. Dan barst B los. Ze is eigenlijk boos op zichzelf. Ze had vanmorgen met haar begeleider afgesproken dat als ze boos werd, ze niet naar 10 zou gaan maar maximaal tot 5. “En nu is dit helemaal niet gelukt.” Ze kijkt me met grote ogen aan, teleurgesteld in zichzelf, haar ogen glanzen, er komen nog net geen tranen. A kijkt haar met verbazing aan en knikt vol begrip. Het ging allang niet meer om die plaatjes dus. Ik geef haar een compliment “goed dat je dit zegt hoor, maar je ik vind wel dat je het goed gedaan hebt, ik heb je niet zien ontploffen en bent blijven praten.” En dat vind ik ook. Ik heb hele andere scenes met haar meegemaakt en ik weet hoeveel moeite ze heeft om haar boosheid onder controle te houden. En nu verwacht ze van zichzelf dat dat in één keer over is. “Dat moet je oefenen” zeg ik, “dan gaat het steeds beter”. Ze glimlacht nu weer een beetje.
“En nu?”, vraag ik. Als antwoord geven elkaar een knuffel en kunnen ze de klas weer in. Bij het uitgaan loop ik weer de klas binnen om de toets weg te bergen. A komt naar me toe en zegt: “we hebben nog de hele tijd ruzie zitten maken”. Ik kijk haar fronsend aan. “Dat is een grapje hoor juf!” zegt ze, terwijl ze lachend, half tegen me aan leunt.
Maandag maar weer eens duidelijk maken dat de ruilmarkt wat mij betreft op het plein plaatsvindt, en niet in de klas.
